Verborgen werelden ~ Omvang en profiel

No comments yet

darklondonalleyDe gangbare schatting is dat er in Nederland zo’n 3.000 jongens werkzaam zijn in de jongensprostitutie, misschien wel meer. Hiervan zou de helft, misschien zelfs meer, minderjarig zijn. En er zouden relatief veel Marokkaanse jongens werkzaam zijn in de jongensprostitutie. Dat is althans het beeld dat naar voren komt uit de literatuur (zie hoofdstuk 1). Komt dit beeld overeen met de werkelijkheid, en vooral: is wat jaren geleden wellicht wel klopte nog steeds waar? Laten we meteen maar duidelijk zijn: ook wij kunnen geen precieze cijfers over de omvang van jongensprostitutie in Nederland leveren, al was het alleen maar omdat we ons onderzoek beperkt hebben tot twee regio’s. Bovendien hebben we ons – in tegenstelling tot het voorbereidende veldwerk (hoofdstuk 4) – in de interviews met jongensprostitués uitsluitend gericht op jongens die al voor hun 18e jaar begonnen met prostitutie en die nu niet ouder zijn dan 21 jaar. Jongens van boven de 21 jaar en jongere jongens die na hun 17e hun eerste seks tegen vergoeding hadden vielen buiten de boot. Wat we wel kunnen proberen, is nagaan of we voor de beide onderzochte regio’s een cijfermatig beeld kunnen krijgen van jongensprostitutie, met name van het aandeel jonge jongens dat hierin actief is. In dit hoofdstuk beschrijven we eerst wat deze poging heeft opgeleverd. In het tweede deel schetsen we een profiel van de geïnterviewde jongensprostitués. Dat gebeurt aan de hand van enkele algemene kenmerken, zoals leeftijd, etniciteit, opleiding, opvoeding en woonsituatie. In latere hoofdstukken gaan we in op andere aspecten van hun achtergrond, ervaringen en dagelijks leven.

5.1 Schattingen
Er zijn maar weinig hulpverleners die vaker dan incidenteel te maken krijgen met jongensprostitués. De enkele instellingen of hulpverleners die zich specifiek op deze jongens richten, zien nauwelijks of geen echte jonge jongens, laat staan minderjarigen. Het is dan ook geen verrassing dat niemand in de hulpverlening zich durft te wagen aan een schatting van het aantal jongensprostitués in hun regio. Voor zover zij in hun werk al met deze doelgroep te maken hebben – bijvoorbeeld in een SOA-kliniek – vinden ze dat hun beeld te verbrokkeld of onvolledig is om uitspraken over aantallen te doen. Dat geldt evenzeer voor de leeftijdsopbouw binnen de jongensprostitutie en voor de etnische achtergrond van de jongens. Bij de politie stuiten we op hetzelfde probleem: niemand richt zich specifiek op jongensprostitutie; de beschikbare informatie is vooral het resultaat van rechercheonderzoeken naar aanleiding van geweldsincidenten en derhalve eenzijdig en onvolledig.
Dan is er nog de branche. Wat kunnen bijvoorbeeld eigenaren van bordelen en escortclubs vertellen over het aantal jongens die seks tegen vergoeding hebben? Zij weten natuurlijk wel hoeveel jongens bij henzelf werken, hoe oud zij zijn en wat hun etnische achtergrond is. Bovenal zien zij een forse doorstroom in hun bestand: jongens doen het tijdelijk, wisselen van werkplek of vertrekken weer naar het buitenland. Dat is overigens een belangrijk gegeven: op jaarbasis is het aantal jongens dat in Nederlandse bordelen of bij Nederlandse escortbureaus werkt veel groter dan gemiddeld per maand. Een voorzichtige schatting op basis van observaties, in combinatie met informatie van eigenaren/personeel en de doelgroep, is dat in Amsterdam en Twente samen op maandbasis 100-200 jongens in bordelen annex escortclubs werken. De meerderheid is boven de 21 jaar – ook al geven de jongens zich vaak jonger uit dan zij zijn. Let wel: deze schatting wijkt af van het beeld dat ontstaat op basis van advertenties en profielen op websites, simpelweg omdat die lang niet altijd de werkelijkheid weerspiegelen, zowel wat betreft het profiel van de jongens (ze zijn ouder of hebben een andere etniciteit dan wordt aangegeven) als de aantallen (dezelfde jongen kan meerdere profielen hebben op het internet, informatie is verouderd).

Waar de seksbranche weinig zicht op heeft, zijn de jongens die zelf via internet hun klanten werven. In de praktijk is er zelfs enige overlap met hun ‘eigen’ jongens, want het is bepaald geen uitzondering dat een jongen die in een bordeel werkt of bij een escortbureau staat ingeschreven, ook een eigen website heeft of zelf op internet naar potentiële klanten surft. Tot op zekere hoogte hebben horecamedewerkers/-eigenaren wel weet van jongens die via internet of in het uitgaansleven klanten werven, al was het maar omdat zij van hun eigen vaste bezoekers weten wie er vaak met zulke jongens de deur uit gaat, of andersom: welke jongens regelmatig met een bepaald type bezoeker aanpappen. In deze horeca zien ze incidenteel ook minderjarige jongens die seks tegen vergoeding hebben. Sommige medewerkers/eigenaren durven wel aantallen te noemen, maar die hebben vooral betrekking op hun eigen etablissement of buurt. Niemand kan een enigszins onderbouwde schatting geven van het totale aantal jongensprostitués in hun regio, niet van het aantal dat daar in de horeca klanten werft, laat staan van hoeveel jongens er via andere wegen met klanten in contact komen.

Tabel 5.1 Vrienden en bekenden in de jongensprostitutie, naar leeftijd van de andere jongens

Tabel 5.1 Vrienden en bekenden in de jongensprostitutie, naar leeftijd van de andere jongens

Zouden de jongensprostitués die we geïnterviewd hebben misschien soelaas kunnen bieden. Deze jongens is gevraagd hoeveel van hun vrienden en kennissen doen aan seks tegen vergoeding. Ook is hen gevraagd een schatting te geven van het totale aantal jongensprostitués in hun stad/regio. Eén respondent wilde deze vragen niet beantwoorden. De gegevens hebben dus betrekking op 43 vragenlijsten, bij elkaar geen groot aantal, dus voorzichtigheid is sowieso geboden.
Bij de respondenten die vrienden in de jongensprostitutie hebben, varieert het aantal vrienden van 1 tot en met 10 (gemiddeld 4). Wanneer de respondenten (ook) kennissen in de jongensprostitutie hebben, dan noemen ze daarvan veel grotere aantallen (gemiddeld 12), maar je kunt je bij sommige antwoorden (10, 20, 50…) afvragen hoe valide ze zijn. De vrienden en kennissen van de respondenten kunnen we bovendien niet zomaar bij elkaar optellen om de omvang van jongensprostitutie te schatten. Ze kennen namelijk vaak dezelfde jongens.
Mogelijk wel interessant is de verhouding tussen de drie leeftijdscategorieën die aan de respondenten werden voorgelegd. Gemiddeld zeggen zij – degenen meegerekend die niemand wisten te noemen – 2.7 minderjarige jongensprostitués te kennen, 5.3 jongens van 18 t/m 21 en 5.7 jongens van boven de 21 jaar (vrienden en kennissen tezamen). Op basis van de informatie van de respondenten is de verhouding dus ongeveer 1:2:2. De verhouding minderjarig/meerderjarig is volgens de respondenten 1:4.
Schattingen die de respondenten geven van het totaal aantal jongensprostitués in de stad/regio lopen uiteen van enkele tientallen tot enkele honderden. Overigens wil een flink aantal respondenten (17, 39%) zich helemaal niet wagen aan een schatting. De rest schat gemiddeld dat er 131 minderjarige jongensprostitués in Amsterdam zijn; het aantal meerderjarige jongensprostitués schatten ze op gemiddeld 151 (18-21 jaar) en 182 (> 21 jaar). Voor Twente liggen de schattingen logischerwijs lager: respectievelijk 28, 49 en 80. Let wel: deze cijfers zijn gebaseerd op een klein aantal vragenlijsten per regio! Bovendien lopen de schattingen van de jongens sterk uiteen. We moeten er dus maar niet al teveel waarde aan hechten.

Wat uit de genoemde aantallen wel systematisch naar voren komt, is dat minderjarigen binnen de jongensprostitutie in de minderheid zijn – en dus zeker niet de helft vormen zoals soms beweerd wordt (zie hoofdstuk 1). Dit geldt temeer daar het beeld dat de geïnterviewde jongens van de leeftijdsopbouw schetsen waarschijnlijk vertekend is in de richting van een overschatting van het aandeel minderjarigen. Niet alleen wordt hun beeld mogelijk gekleurd doordat zij minder zicht hebben op de oudere jongens in de prostitutie; het gevolg hiervan zou zijn dat het aandeel oudere jongens onderschat en tegelijkertijd het percentage minderjarige jongens overschat wordt. Bovenal is het maar de vraag hoe valide hun kennis is van de leeftijd van andere jongensprostitués. Jezelf jonger presenteren dan je feitelijk bent, is vaak een belangrijke succesfactor bij betaalde seks. Leeftijd fungeert als het ware als je ‘beroepsgeheim’ en alleen je allerbeste vrienden mogen weten hoe oud je echt bent. Doordat jongens zich jonger voordoen dan zij zijn, lijkt het aandeel minderjarigen in de jongensprostitutie groter dan het in werkelijkheid is.

Al met al moeten we dus concluderen dat er geen betrouwbare schattingen te maken zijn van het aantal jongens in de prostitutie en ook niet van de leeftijdsverdeling.

5.2 Geïnterviewde jongensprostitués
Op zeer uiteenlopende locaties zijn observaties gedaan en met tal van personen werden gesprekken gevoerd, maar de uiteindelijke focus lag op interviews met jongens-prostitués zelf, meer specifiek: minderjarige jongens die seks tegen vergoeding hebben en jongens tussen 18 en 21 jaar die daar reeds voor hun 18e jaar mee begonnen waren. Vaak bleken de jongens waar we mee in contact kwamen vanwege hun leeftijd niet tot de doelgroep te behoren. Terwijl bijvoorbeeld hun klanten dachten dat zij jonger waren, bleken de jongens ouder dan 21 jaar te zijn. Daarom hebben we alle (potentiële) respondenten niet alleen naar hun leeftijd gevraagd, maar ook steeds naar hun geboortedatum. Regelmatig bleken jongens dan al ouder te zijn dan zij in eerste instantie hadden opgegeven. Als extra maatregel werd de leeftijd zonodig gecheckt aan de hand van hun ID-kaart of paspoort.

De ware leeftijd
Het is vaker voorgekomen dat klanten denken dat de jongens jonger zijn. Deels is het wishful thinking van klanten. Ook kunnen klanten in een donkere disco niet goed de leeftijd van de jongens inschatten of is het leeftijdsverschil zo groot dat een paar jaar meer of minder moeilijk is te zien. Ook de jongens laten het in het midden of ze liegen glashard over hun leeftijd. Ranny bijvoorbeeld is geen 15 of 16 zoals K. beweert, maar 19 jaar. Ranny staat in de gay scene bekend voor seks met oudere mannen. Hij laat zijn leeftijd in het midden omdat hij dan interessanter blijft voor klanten die hem jonger schatten. En als we S. willen interviewen, blijkt dat hij 25 jaar is, terwijl hij in de scene bekend staat als een 20 jarige. Dat levert hem namelijk meer klanten op.

Een ander cruciaal punt bij de selectie van jongens voor een interview was: wanneer is een jongen prostitué? Soms blijkt dat geen enkel probleem op te leveren. Bij jongens die we in een bordeel ontmoeten en daar werken is het bijvoorbeeld wel duidelijk. Andere keren ligt het gevoelig en soms moeten we door hardnekkige ontkenning heen breken.

Wel of geen prostitué?
Rudie (20 jaar) is openhartig tijdens het interview. Zijn relaties, het voor geld doen etc. Rudie geniet volop van zijn reputatie als mooie jongen. Hij heeft per week meerdere dates met oudere mannen die alles voor hem betalen en hem onderhouden. Hij heeft verschillende ‘suiker-oompjes’ en ook neemt hij contant geld aan voor seks met mannen.

Saïd (18 jaar) is een typisch voorbeeld van een jongen die blijft ontkennen dat hij iets met prostitutie van doen heeft. Dit terwijl verschillende mannen, ook klanten en ex-klanten van hem, zeggen dat hij zich hoereert en dat ze hem zien rondlopen met andere klanten. Ook doen geruchten de ronde dat Saïd zich soms voor een week verhuurt aan een man. Het begin van het interview verloopt moeizaam. Wel praat hij openlijk over de homoscene. Na verloop van tijd wordt Saïd wat spraakzamer en geeft hij toe dat hij wel eens seks heeft voor een slaapplek. Betaalde seks is voor hem taboe. Als hij zin in seks heeft dan heeft hij seks, daar wordt niet voor betaald. Dat krijg je gewoon! Later vertelt Saïd alsnog dat hij wel seks heeft na een avondje stappen. Dat een andere man dure drankjes en rekeningen over de honderd euro betaalt, vindt hij volstrekt normaal.

Uiteindelijk zijn 44 jongens geïnterviewd die wel (qua leeftijd: aantoonbaar) tot de doelgroep behoorden, gelijkelijk verdeeld over Amsterdam en Twente. In de bijlage staat een volledig overzicht van alle respondenten met enkele basiskenmerken. De namen van de jongens in de bijlage en in de tekst zijn pseudoniemen.
De leeftijd van de geïnterviewde jongens ten tijde van het interview varieert van 15 tot en met 21 jaar; zeven jongens zijn minderjarig (een van 15, twee van 16 en vier van 17 jaar). De gemiddelde leeftijd is 19.0 jaar.

De etniciteit van de jongens is niet gebaseerd op hoe de jongens zichzelf zien (subjectieve etniciteit) of waar zij zich voor uitgeven, maar conform de in Nederland gangbare ‘CBS-methode’ bepaald aan de hand van het geboorteland van hun ouders.[xxiii] Op basis van deze ‘objectieve etniciteit’ zijn ze verdeeld over drie vrijwel even grote groepen: autochtoon (15); westers allochtoon (14, waarvan acht uit Midden- en Oost-Europa en de anderen uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Italië en Indonesië); en niet-westers allochtoon (15, waarvan drie Marokkaans, twee Turks, drie Surinaams, één Antilliaans, drie Latijns-Amerikaans en drie uit het Midden-Oosten). Omdat we extra nadruk hebben gelegd op het vinden van niet-westers allochtonen, in het bijzonder Marokkaanse jongens, zijn met name autochtoon Nederlandse jongensprostitués waarschijnlijk ondervertegenwoordigd bij de geïnterviewden.

Een forse minderheid van de jongens heeft (tot nu toe) na het basisonderwijs geen enkel schooldiploma behaald (17; 39%). Van negen jongens is het hoogst behaalde diploma van het vmbo (21%), iets meer hebben een havo/vwo-diploma (14; 32%) en vier zijn geslaagd voor het mbo-examen. De meeste jongens volgen een opleiding en/of hebben een (bij)baan. Krap de helft volgt nog een opleiding (20; 45%), van spijbelschool en praktijkopleiding tot en met hbo. Ruim de helft van de jongens heeft een betaalde baan of bijbaan (26; 59%) – werk als prostitué in een bordeel niet meegerekend. De werkende jongens hebben hun (bij)baan relatief vaak in de horeca (11 jongens), maar bijvoorbeeld ook op kantoor, in de verpleging, een kapperszaak, kledingwinkel of een fabriek.

Boris is 19 jaar. Vanaf zijn zesde jaar woonde hij in een pleeggezin. Op zijn 15e stopte hij met school, waardoor hij geen enkel diploma heeft. Sindsdien trekt hij van stad naar stad door Europa en leeft hij voornamelijk van betaalde seks. Hoewel ook Ronaldo (18 jaar) in het buitenland naar de lagere school ging en pas daarna naar Nederland kwam, heeft hij hier zonder vertraging zijn havodiploma behaald. Hij zit nu op het hbo en heeft een bijbaantje bij een bank. Af en toe heeft hij seks tegen vergoeding.

De helft van de jongens is door beide ouders opgevoed (22; 50%). De andere jongens groeiden op in een eenoudergezin (12; 27%), vrijwel altijd bij hun moeder; bij andere familieleden (7; 16%); of in een pleeggezin (3; 7%).

De sociaaleconomische achtergrond van de jongens loopt sterk uiteen. Van de een werkt(e) vader in een fabriek, de ander komt uit een succesvol ondernemersgezin. Van vier jongens is vader overleden en van een van deze vier ook de moeder. Naast deze vier hebben twaalf jongens nooit contact met hun vader. Slechts twee jongens hebben dagelijks contact met hun vader. Hier tegenover staat maar één jongen die nooit contact heeft met zijn moeder, terwijl een op de drie haar dagelijks ziet of spreekt (14; 32%).
Overigens hangt de frequentie van het contact wel samen met waar de ouder(s) wonen. Logischerwijs hebben de jongens die tegenwoordig bij één of beide ouders wonen (19; 43%) er ook het vaakst contact mee. Als spiegelbeeld hiervan hebben de jongens waarvan de ouders niet in Nederland wonen – en dat geldt vooral voor de jongens uit Midden en Oost-Europa – weinig of geen contact met hun vader en/of moeder. De meeste jongens die niet meer bij hun ouder(s) wonen, vertrokken toen zij 16 jaar of ouder waren; drie deden dat op 14- of 15-jarige leeftijd en gingen naar een internaat of tehuis en twee jongens verlieten al op jonge leeftijd het ouderlijk huis, toen zij respectievelijk vier en zes jaar waren, en kwamen terecht in een pleeggezin of bij oma.

Benny (17 jaar) is opgegroeid in een ondernemersgezin. Op 16-jarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis en huurde met een maatje een etage. “Mijn ouders zijn allebei altijd aan het werk. Ik wilde alles zelf bepalen en veel plezier maken.” Sinds kort woont hij weer bij zijn ouders. Niet dat hij zonder geld zat, want zijn ouders verwennen hem materieel en nu hij weer thuis woont heeft hij toch genoeg vrijheid om te gaan en staan waar hij wil.

Johnny (19 jaar) daarentegen werd op vierjarige leeftijd uit huis geplaatst. Eerst ging hij naar een pleeggezin, later kwam hij in een leefgroep. Tussendoor woonde hij weer kort bij zijn moeder, maar dat was geen succes. “Mijn moeder kan niet voor me zorgen.” Daarna verbleef hij weer in een leefgroep. Tegenwoordig heeft hij weer bijna dagelijks contact met haar. Zijn vader is al heel lang uit beeld. Sinds kort woont Johnny zelfstandig.

Minder dan de helft van de jongens woont nog of weer bij beide ouders (7; 16%) of bij hun moeder (12; 27%). Sommige jongens wonen zelfstandig of met hun partner (7, 16%). De meeste anderen wonen op kamers, delen een etage of appartement, of wonen in bij vrienden of familieleden. Enkele jongens hebben onderdak in een (illegaal) bordeel, bij een klant (sugar daddy), een goedkoop hotel, of wonen ‘overal en nergens’.

Paolo (15 jaar) woont nog bij beide ouders; zijn vader werkt in de bouw en zijn moeder is schoonmaakster. Ook Wout (20 jaar) is door beide ouders opgevoed, maar hij werd op 15-jarige leeftijd in een internaat geplaatst. Daarna woonde hij kort op zichzelf. Sindsdien woont hij in bij klanten (sugar daddies), ten tijde van het interview ruim twee maanden bij dezelfde man. Stephen (19 jaar) is sinds een half jaar in Nederland. Toen hij 14 jaar was, vertrok zijn moeder en liet haar zoon achter in de woning; vader was al veel eerder weggegaan. Hij woonde een tijdje met zijn broer en een oom. In Nederland heeft hij ingewoond bij een personeelslid van de club waar hij werkt. Nu trekt hij van het ene naar het andere adres; soms is dat een goedkoop hotelletje, de andere keer bij een ‘collega’, of iemand die hij in het uitgaansleven heeft ontmoet.

5.3 Conclusie
Het is niet mogelijk om een valide schatting te maken van het aantal jongensprostitués in Nederland, ook niet binnen regio’s. Duidelijk is wel dat de bewering dat de helft of meer van de jongensprostitués minderjarig zou zijn geen stand kan houden. Aannemelijk is zelfs dat de meerderheid 21 jaar of ouder is.
Uit de interviews met 44 geïnterviewde jongensprostitués – in de leeftijd 15-21 jaar en allemaal voor hun 18e jaar begonnen met seks tegen vergoeding – blijkt een grote variatie in achtergrondkenmerken. Een forse minderheid heeft na het basisonderwijs geen enkel schooldiploma behaald en gaat ook niet meer naar school, maar er zijn ook jongens die nu een hbo-opleiding volgen. Variatie is er ook in sociaaleconomische achtergrond, opvoeding, woon- en werksituatie en etniciteit. Ondanks de extra inspanningen om jonge Marokkaanse jongensprostitués te vinden (zie hoofdstuk 4), zijn maar weinig van zulke jongens aangetroffen. De veronderstelling dat Marokkaanse jongens oververtegenwoordigd zouden zijn in de jongensprostitutie kunnen we dus niet bevestigen, in elk geval niet voor de leeftijd tot en met 21 jaar.

Noot
xxiii. Zie hoofdstuk 3 voor een toelichting.

LITERATUUR
Allen D.M. (1980) Young Male Prostitutes: A Psychosocial Study. Archives of Sexual Behavior 9(5): 399-426.
Bijleveld C. & Hendriks J. (2007) Gezin en seksueel misbruik. Overdracht van daderschap en slachtofferschap van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Criminologie 49(2):123-136.
Bovenkerk F, Komen M. & Yeşilgöz Y. (eds.) (2003) Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Buijs L., Hekma G. & Duyvendak J.W. (2009) Als ze maar van me afblijven. Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cusick L. (2002) Youth Prostitution: A Literature Review. Child Abuse Review 11(4): 230-251.
Daalder A. & Essers A. (2003) Seksuele delicten in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):354-368.
Diepenmaat A.C.M., Wal M.F. van der, Cuijpers P. & Hirasing R.A. (2006) Etnische verschillen in ongewenste ervaringen bij Nederlandse adolescenten. TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 83 (3): 51.
Donker A., Kleemans E., Laan P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004) Ontwikkelings- en levensloop-criminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):322-329.
Edwards J.M., Iritani B.J. & Hallfors D.D. (2006) Prevalence and correlates of exchanging sex for drugs or money among adolescents in the United States. Sexually transmitted infections 82(5): 354-358.
Gelder P. van (1998) Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela Thesis.
Gemert F. van (1991) Noord-Afrikaanse en Turkse homomoordenaars. Justitiële Verkenningen 17(1): 87-106).
GGZ (2006) Cliënten in de ggz 2006. Amersfoort: GGZ Nederland.
Graaf H. de, Meijer S., Poelman J. & Vanwesenbeeck I. (2005) Seks onder je 25e. Utrecht: Rutgers Nisso Groep / Soa Aids Nederland.
Graaf H. de, Höing M., Zaagsma M. & Vanwesenbeeck I. (2007) Tienerseks: vormen van instrumentele seks onder tieners. Utrecht: Rutgers Nisso groep, WODC.
Gurp L. van & Timman S. (eds.) (1998) Kinderporno en kinderprostitutie in Nederland, de stand van zaken. Utrecht: Child Right Worldwide en TransAct.
Hendriks J. (2006) Jeugdige zedendelinquenten: een studie naar subtypen en recidive. Utrecht: Forum Educatief.
Horn J.E. van, Bullens R.A.R., Doreleijers T.A.H. & Jäger M. (2001) Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens, een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora en Vrije Universiteit.
IJzendoorn M.H. van, Prinzie P., Euser E.M., Groeneveld M.G., Brilleslijper-Kater S.N., Noort-van der Linden A.M.T. van, Bakermans-Kranenburg M.J., Juffer F., Mesman J., Klein Velder-man M. & San Martin Beuk M. (2007) Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden, Leiden Attachment Research Program, WODC.
Jong D. J. de (2007) Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 159H (Motie van het lid Arib c.s.).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 163 (Verslag van een algemeen overleg).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, 1053 (vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).
Kleijer-Kool L. (2006) Marokkaanse ontkennende verdachten in het kinderstrafproces. Proces (3): 97-105.
Kooistra O. (2006) Jongens huilen niet, seksueel geweld tegen allochtone jongens. Amsterdam: Amsterdams Centrum Buitenlanders.
Korf D.J. (1995) Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers.
Korf D.J., Nabben T. & Schreuders M. (1996) Roemeense trekvogels: nieuwkomers in de jongensprostitutie. Amsterdam: Thela-Thesis.
Korf D.J., Deben L., Diemel S., Rensen P. & Riper H. (1999). Een sleutel voor de toekomst. Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Korf D.J., Ginkel P. van & Wouters M. (2004). Je ziet het ze niet aan. Zwerfjongeren in Flevoland. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Korf D.J., Vliet E. van, Knotter J. & Wouters, M. (2005) Tippelen na de zone. Straatprostitutie en verborgen prostitutie in Amsterdam. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lamers-Winkelman F., Slot N.W., Bijl B. & Vijlbrief A.C. (2006) Scholieren Over Mishandeling, resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Vrije Universiteit en PI Research.
Lampe A. (2002) The prevalence of childhood sexual abuse, physical abuse and emotional neglect in Europe. Zeitschrift fur psychosomatische medizin und psychotherapie 48: 370-380.
Leuw E., Bijleveld C. & Daalder A. (2003) Seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):330-337.
Leuw E, Bijl E.V. & Daalder A. (2004) Pedoseksuele delinquentie. Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en strafrechtelijke interventies. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Loeber R. & Farrington D.P. (2004) Verschillende oorzaken van delinquentie tussen etnische en nationale groepen. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):330-346.
McMullen R. (1987) Youth prostitution: a balance of power. Journal of Adolescence 10: 35–43.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2005) Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2007) Antenne 2006. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nadon S.M, Koverola C. & Schludermann E.H. (1998) Antecedents to Prostitution, Childhood Victimization. Journal of Interpersonal Violence 13(2): 206-221.
Pedersen W. & Hegna K. (2003) Children and adolescents who sell sex: a community study. Social Science & Medicine 56(1): 135-147.
Poel S. van der (1991) In de Bisnis: professionele jongensprostitutie in Amsterdam. Arnhem: Gouda Quint.
Qrius (2005) Jongeren 2005. Het speelveld verandert. Amsterdam: Qrius.
Repetur L., Meinster N., De Kinderen M. & Schakenraad M. (eds.) (2005) Naar een effectieve en samenhangende aanpak van jeugdprostitutie. Utrecht: Transact, Informatiepunt Jeugdprostitutie.
Seng M.J (1989) Child Sexual Abuse and Adolescent Prostitution: A Comparative Analysis. Adolescence 24(95): 665-675.
Silbert M.H. & Pines A.M. (1983) Early Sexual Exploitation as an Influence in Prostitution. Social Work 28(4): 285-289.
Svedin C.G. & Priebe G. (2007) Selling sex in a population-based study of high school seniors in Sweden: Demographic and psychosocial correlates. Archives of sexual behaviour 36(1): 21-32.
Transact (2005) Factsheet jongensprostitutie: feiten en cijfers. Utrecht: TransAct
Weijnen F. (2006) De schaduw bedreigd, een explorerend onderzoek naar de effecten van toezicht op mannelijke prostitués in Amsterdam. Enschede: Universiteit van Twente.
Widom C.S & Ames M.A. (1994) Criminal Consequences of Childhood Sexual Victimization. Child Abu-se and Neglect 18: 303-318.
Wijk A.Ph. van (2005) Juvenile sex offenders and non-sex offenders: a comparative study. Wageningen: Ponsen & Looien.
Wittebrood K. (2004) Van delictmelding tot officiële aangifte: sprake van sociale ongelijkheid? Tijdschrift voor Criminologie 46(1): 56-71.
Wittebrood K. (2006) Slachtoffers van criminaliteit: feiten en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 2 + 4 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent articles

  • Rozenberg Quarterly categories