Jan Sneep – Einde van het stenen tijdperk – Bestuursambtenaar in het witte hart van Nieuw-Guinea

Sneep CoverJonge bestuursambtenaren maakten maandenlange verkenningstochten naar een van de laatste nog nooit door blanken betreden delen van het onhergbergzame centrale bergland, het Sterrengebergte in toenmalig Nederlands Nieuw-Guinea. Sneep beschrijft de eerste tochten van zijn collega en vriend Hermans, die een vliegveldje aanlegde en een pioniersbivak bouwde, het begin van de eenvoudige bestuurspost Sibil. Van daaruit trokken zij verder het bergland in en maakten kennis met bewoners in afgelegen valleien die eerst wat schuchter, maar al snel heel nieuwsgierig, vriendelijk en gastvrij de witte mensen in hun dorpen ontvingen.
De dragers deden ‘s avonds aan het kampvuur verslag van hun ervaringen van die dag, wat vaak tot hilarische taferelen leidde.

Sneep heeft vervolgens een belangrijk aandeel in de voorbereiding van de laatste grote wetenschappelijke expeditie van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) naar het Sterrengebergte en neemt daar namens het Bestuur gedurende zes maanden ook aan deel. Hij beschrijft zijn ervaringen en de vele problemen waarmee de expeditie te kampen had.
Aansluitend vergezelde Sneep de Frans-Nederlandse filmexpeditie van de cineast Pierre Dominique Gaisseau die in zeven maanden van Zuid- naar Noordkust trok, door goeddeels onbestuurd gebied. Behalve tot dan toe onbekende bergbewoners ontdekten zij ook een Nederlandse pater die zich met zijn Papua geliefde in het geisoleerde oerbos had teruggetrokken. Het boek Einde van het stenen tijdperk is in 2005 bij Rozenberg Publishers verschenen. ISBN 978 90 5170 927 8.

Nu online:

Inleiding
Naar Nieuw-Guinea
Video: Interview Pierre Dominique Gaisseau
Einde van het stenen tijdperk – Mijn eerste standplaats Mindiptana
Einde van het stenen tijdperk – Het Sterrengebergte
Einde van het stenen tijdperk – Mijn tweede standplaats – Sibilvallei
Einde van het stenen tijdperk – De Sterrenberg expeditie
Einde van het stenen tijdperk – De Frans-Nederlandse filmexpeditie
Einde van het stenen tijdperk – Nawoord

Bookmark and Share

Einde van het stenen tijdperk – Voorwoord

Sneep CoverRuim veertig jaar na ons vertrek uit toenmalig Nederlands Nieuw-Guinea, besloten mijn oud-collega en vriend Nol Hermans en ik om onze ervaringen, als bestuursambtenaar in de periode 1954 – 1960 opgedaan in de binnenlanden van Nieuw-Guinea, op papier te zetten.
In het bijzonder wilden wij beschrijven hoe wij het laatste onbestuurde gebied in het centrale bergland, het Sterrengebergte, binnengingen, verkenden en onder bestuur brachten. Hermans maakte de eerste verkenningstochten vanuit het zuiden, had de leiding bij de aanleg van een vliegveldje in de Sibilvallei en bouwde het eerste pioniersbivak. Voor zijn vertrek naar Nederland werkten wij enige tijd samen en maakten wij afwisselend verkenningstochten dieper het bergland in. Tenslotte nam ik de post van hem over en werd de voorbereiding en ondersteuning van de wetenschappelijke expeditie naar het Sterrengebergte, die onder auspiciën van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) in 1959 plaatsvond, één van de hoofdtaken.

Om verschillende redenen bleek het heel moeilijk om de verhalen van Hermans en mij aan elkaar te koppelen, hoewel ze in de tijd wel op elkaar aansluiten. Hermans heeft mij daarom zijn deel overgedragen om te bewerken en in mijn verhaal te voegen. Deze vervlechting van twee verschillende schrijfstijlen was geen eenvoudige opgave. Dat is ook deels de verklaring (niet een excuus) voor het feit dat het verhaal niet altijd even ‘gesmeerd’ verloopt. Om een spannend jongensboek te kunnen zijn zouden nogal wat onderwerpen ingekort, weggelaten of minder formeel beschreven moeten zijn. Ook de dagboekstijl kan afbreuk doen aan de leesbaarheid. Hopelijk kan de lezer er echter begrip voor hebben dat dit het relaas is van twee jonge (begin 20) mannen die onder de meest primitieve omstandigheden zich afwisselend en soms gelijktijdig in de rol van avonturier, ontdekkingsreiziger en ambtenaar thuis moesten voelen. Vanuit die verschillende hoedanigheden wordt hierna via onvermijdelijke genrewisselingen min of meer chronologisch verslag gedaan.

Aansluitend op de expeditie naar het Sterrengebergte vergezelde ik als patrouilleleider de Frans-Nederlandse filmexpeditie van cineast Gaisseau, die voor het eerst in de geschiedenis gedurende zeven maanden over het breedste deel van het eiland van zuid- naar noordkust trok. De documentairefilm ‘Le Ciel et la Boue’ (Tussen Hemel en Moeras) was hiervan het resultaat.

Onze komst naar en verblijf in het oostelijk bergland was niet alleen voor ons een spannend avontuur, voor de bergbewoners betekende onze aanwezigheid het begin van grote veranderingen in hun tot dan toe redelijk geordende bestaan. Wij beschrijven hierna een korte periode uit onze jeugd die we af en toe ook wel als de mooiste tijd van ons leven beschouwen. Diezelfde periode, waaruit wij de beste herinneringen bewaren aan onze contacten met de bewoners van de Sibilvallei en van andere valleien dieper in het bergland, betekende voor al die Papua’s dat ze met een veel grotere wereld dan hun kleine ‘veilige’ wereldje werden geconfronteerd en dat ze uit het stenen tijdperk de ‘moderne’ tijd werden ingetrokken. Het is maar de vraag of de voordelen zoals onderwijs en gezondheidszorg opwegen tegen de nadelen die zij vooral na ons vertrek met de komst van een minder op hun welzijn gericht bewind ondervinden.

Veel dank ben ik verschuldigd aan Maya Ooijens, die met grote toewijding het geheel heeft gelezen en uitvoerig gecorrigeerd op stijl en leesbaarheid. Waardevolle adviezen werden ontvangen van Prof. Dr. J.W. Schoorl en Dr. J.J.A.M. Gorisse. Marjan Groen verzorgde de opmaak van het manuscript.
Voor de illustraties werd geput uit eigen archief en uit het fotoarchief van het KIT (Koninklijk Instituut voor de Tropen). Een aantal kiekjes is afkomstig van een fotorapportage die voormalig bestuursambtenaar Schoorl maakte tijdens de eerste verkenningstocht naar het Sterrengebergte; foto’s gemaakt door de Franse fotograaf Tony Saulnier ontving ik direct van hem of via de andere deelnemer aan de filmexpeditie Gerard Delloye. Voorts ontving ik foto’s van de heren Tissing, Terlaag en Brongersma.

Bookmark and Share

Het einde van het stenen tijdperk – Naar Nieuw-Guinea

Dansende Mandobo-mannen begroeten bezoekers in Tanah-Merah

Dansende Mandobo-mannen begroeten bezoekers in Tanah-Merah

Op de dag van vertrek word ik door mijn ouders, broer Arie en een grote groep familieleden op Schiphol uitgezwaaid. Nog even de gebruikelijke foto op de vliegtuigtrap en daar vertrek ik dan voor mijn eerste en tegelijk enorm lange luchtreis van Schiphol naar Hollandia. De viermotorige KLMSuperconstallation PH-LKE ‘Pegasus’ zal ons naar Biak brengen, vanwaar we met ‘De Kroonduif’ zullen doorvliegen naar Hollandia. Die eerste keer met gierende motoren de lucht in is een aparte sensatie. Bij de invallende schemering zien we Nederland als in feestverlichting onder ons verdwijnen.

Na 3½ uur maken we de eerste stop in Rome, waar we uitstappen voor een consumptie in het vliegveldrestaurant. De tweede keer starten is al niet zo nieuw meer. Ook beginnen de dertien kersverse Nieuw-Guinea-gangers al aardig aan elkaar te wennen. Na weer 4½ uur vliegen en enige hazenslaapjes arriveren we de volgende morgen in Caïro, waar we met bussen naar het KLM-hotel worden gebracht voor het ontbijt. Een beetje onwerkelijk om zo kort na vertrek uit het koude Nederland in een warme omgeving, die je vaag herkent van plaatjes die je ooit van Egypte hebt gezien, te worden bediend door onderdanen van President Nasser, die gekleed zijn in lange witte jurken compleet met rode fez.
De tweede dag vliegen we in 8½ uur (met een gemiddelde snelheid van 440 km/uur) door naar Karachi. Een vlucht over eindeloze woestijnen en in het zonlicht zilverachtig schitterende zeeën rond het Arabisch schiereiland. In Karachi overnachten we in het Grand Hotel. Om vier uur worden we alweer gewekt, wat nogal vroeg blijkt als we op het vliegveld een paar uur vertraging krijgen omdat er een bougie moet worden verwisseld. De vette bougie van mijn Mobylette kon ik doorgaans sneller verwisselen! Op het traject richting Rangoon vliegen we eerst over geïrrigeerde akkers aan de Indus en daarna over meer geaccidenteerde delen van India. De passagiers mogen een kijkje nemen in de cockpit, waar gezagvoerder Roos over een en ander tekst en uitleg geeft. Tenslotte strijken we bij zonsondergang over de delta van de Irrawaddy neer in Rangoon. Een vochtige hitte slaat ons tegemoet en we zijn blij dat we na een glas lauwe orange-squash in een rommelig restaurant weer snel kunnen instappen voor het korte stukje naar Bangkok. In een duidelijk rijkere omgeving krijgen we hier een prima diner geserveerd. Ik heb bovendien een leuke ontmoeting met Tony, de vriendin van een oud-klasgenoot van de HBS, Tim Brouwer de Koning die voor haar een pakje heeft meegegeven. Zij leidt als KLM-stewardess lokale dames op tot grond-stewardess.
De derde nacht van onze reis brengen we weer in de lucht door. We landen nog eenmaal in Manilla en op de vierde dag na ons vertrek uit Nederland komen we toch echt aan in Nieuw-Guinea, op het eiland Biak. We zijn de eerste groep die in het comfortabele splinternieuwe gouvernementshotel wordt ondergebracht. Weer eens een nacht in een bed geeft ons een gevoel van grote luxe. De vijfde dag vliegen we al vroeg met een Dakota (DC3) van de Nederlands Nieuw-Guinea Luchtvaartmaatschappij (NNGLM) door naar Hollandia, waar ik op het vliegveld wordt begroet door Jannie Westdorp uit Hellevoetsluis en haar man Wil van Beurden. Zij is de dochter van de familie waarbij ik een jaarlang als officier in pension heb vertoefd, hij werkt in Hollandia als burger bij de Marine inlichtingendienst. Ondanks de lange reis heb ik het gevoel dat de wereld toch niet zo groot is als ik tot nu toe heb gedacht. Read more

Bookmark and Share

Einde van het stenen tijdperk – Mijn eerste standplaats Mindiptana

Aanlegsteiger in de Kao-rivier

Aanlegsteiger in de Kao-rivier

Zaterdag 21 september 1957 vertrekt de lichter met aan boord de zevenkoppige bemanning, mevrouw Van E..en Pastoor Jötte. Ik reis mee met de poes die ik al vanaf Hollandia bij me heb en een schattig jong hondje dat iemand in Tanah Merah me heeft aangepraat. Voor de zwangere passagiere heeft dokter Bijkerk heel attent een ijzeren ziekenhuisbed op de luiken van de lichter gezet, zodat ze daar op kan rusten. In de loop van de avond bereiken we Getentiri waar de ‘Oranje’, het ‘vlaggenschip’ van gouverneur Van Baal, op ons ligt te wachten voor de verdere reis naar Mindiptana. De gouverneur is met resident Boendermaker en z’n adjudant Van Dop op rondreis in het zuiden en wij mogen delen in de luxe van dit mooie schip. De volgende dag brengen we heel ontspannen aan dek door. Onder ons horen we nu al het vertrouwde rustige gestamp van de motoren, terwijl de kapitein met zijn roerganger het schip voorzichtig over de steeds ondieper wordende rivier stroomopwaarts manoeuvreert. Voor de uitgebreide lunch, bestaande uit een Indische rijsttafel en een flinke hoeveelheid bier, wordt het schip gewoon stilgelegd.
De conversatie, met nogal wat anekdotes uit het oude Indië, wordt vooral gevoerd door Van Baal en kapitein Snellen van Vollenhoven. Er is spontaan een nieuwe anekdote ontstaan op het moment dat wij in het duister met onze lichter om een bocht van de rivier komend door de schijnwerpers van de ‘Oranje’ werden opgemerkt. De gouverneur en zijn gezelschap zagen een bijna surrealistisch tafereel: een nietig scheepje waarvan het dek bijna helemaal in beslag werd genomen door een wit ijzeren ziekenhuisbed met een opvallend zwangere vrouw, die door haar echtgenoot aan de zorgen van zijn jonge aankomend medewerker was toevertrouwd.

Gezien de lage waterstand kan dit comfortabele schip niet doorvaren tot Mindiptana. Het hele gezelschap stapt daarom over op een motorlaunch, een zogenaamde Mappi, van de oliemaatschappij NNGPM om de tocht stroomopwaarts voort te zetten. We kunnen Mindiptana niet in één dag bereiken, dus overnachten we in een dorpje langs de rivier. Als kwartiermaker is Hoofdagent Raaff hier al eerder aangekomen. Hij meende ons in de eenvoudige ‘pasanggrahan’ onder te brengen, maar als Boendermaker ontdekt dat Raaff zichzelf in de leegstaande, veel ruimere onderwijzerswoning heeft ingekwartierd, is een ‘woningruil’ snel geregeld.
Op de vierde dag van onze bootreis arriveren we in Mindiptana, waar we een beetje delen in het eerbetoon waarmee de hoge bezoekers worden ontvangen. Een goede gelegenheid om met een aantal leden van de kleine gemeenschap kennis te maken, zoals de pastoor die hoofd van de missiepost is, de arts die de leiding heeft over het kleine ziekenhuis en de politiecommandant.
De twee laatsten zijn getrouwd. Voorts is daar vertrekkend controleur Hansen en zijn opvolger Van E. die met onze komst dus herenigd is met zijn vrouw. Ik kom te wonen in het vrijgezellenhuis bij landbouwambtenaar Irwin van der Harst en mijn ‘oudere’ collega Dick Dragt. De dag na onze aankomst vertrekt de gouverneur met zijn gevolg weer in alle vroegte.

Dragt zal worden overgeplaatst en draagt de gegevens van het ‘vliegveld’ dat een eindje buiten Mindiptana zal worden aangelegd aan mij over. Dit wordt één van mijn taken Mijn dagelijkse warme maaltijd, een ‘rantang’, kan ik bestellen bij Vitalis, het hoofd RWD (Openbare Werken). Hij is een al wat oudere Indischman die een veel jongere, aantrekkelijke vrouw heeft. Na zijn scheiding is hij met zijn nicht gaan samenleven waardoor hij nu een gezinnetje met vijf kleine koters heeft. Nol Hermans, die voor mij in Mindiptana heeft gewerkt, heeft het stel nog moeten overhalen om te trouwen. Vitalis vond het concubinaat prima, maar zwichtte tenslotte toen Hermans hem uitlegde dat hij eigenlijk ten onrechte kinderbijslag ontving, omdat men had ontdekt dat hij niet voor de wet was getrouwd. Op de dag dat het huwelijk door HPB Schoorl zou worden voltrokken, moest de kantooroppasser er nog op uitgestuurd worden om Vitalis en z’n gezin te gaan halen. Hij bleek zijn trouwdag nu al vergeten te zijn en verscheen tenslotte in zijn werktenue om de formaliteiten te vervullen Mindiptana is een open plek in het bos, gelegen aan de Kao, een bergrivier die in het Australisch deel van Nieuw-Guinea ontspringt. Het aan een zijriviertje, de Mujurivier, gelegen plaatsje Ninati was de oorspronkelijke hoofdplaats van het district Muju. In tegenstelling tot de Kao is de Mujurivier niet bevaarbaar. Daarom heeft men destijds Mindiptana als hoofdplaats verkozen en voor een goede verbinding met Ninati een zogenaamd paardenpad tussen de twee plaatsen aangelegd. Het opvallende van deze verbinding is het grote aantal riviertjes dat via achtendertig bruggen moet worden overgestoken. Op de begroting van de huidige onderafdeling Muju staat wel een bedrag voor onderhoud van de weg, maar geen cent voor onderhoud van de bruggen! Read more

Bookmark and Share

Einde van het stenen tijdperk – Het Sterrengebergte

Sneep

Nol Hermans na aankomst in de Sibilvallei

Voordat ik mijn overplaatsing naar de Sibilvallei ga beschrijven, wil ik eerst ingaan op de aanleiding voor de recente opening van deze bestuurspost in het tot dusver onbestuurde exploratiegebied. Dat was het verzoek dat de voorzitter van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (K.N.A.G.) Professor H.J. Lam in maart 1955 indiende bij de gouverneur van Nederlands Nieuw-Guinea om in te stemmen met een wetenschappelijke expeditie naar een van de weinige nog niet in kaart gebrachte gebieden op deze aarde. Doel was het Sterrengebergte, het meest oostelijk gelegen deel van het centrale bergland van Nederlands Nieuw-Guinea. Ten westen hiervan ligt het gebied rond de Baliemvallei en ten oosten loopt de grens met voormalig Australisch Nieuw-Guinea.
Ter voorbereiding van deze expeditie moest een aanlooproute naar het gebied worden verkend en de mogelijkheid om er een vliegveldje aan te leggen worden onderzocht. Zonder vliegveld zou een expeditie van enige omvang vrijwel onuitvoerbaar zijn. Hiervoor werd de hulp van het gouvernement ingeroepen. De gouverneur droeg de bestuursambtenaar in het Mujugebied, een onderafdeling gelegen ten zuiden van het Sterrengebergte, op om een verkenningstournee naar het gebied te maken.
Enige gegevens over de toegang tot het gebied dateerden van 1939, toen een mijnbouwexpeditie de voet van het centrale bergland had bereikt en bivak had gemaakt in een vallei, die men had genoemd naar de hier stromende Sibilrivier. Deze vallei werd het reisdoel. Het onderafdelingshoofd van de Muju, Pim Schoorl, en zijn assistent Nol Hermans zouden deze eerste tocht naar de Sibil uitvoeren.

De eerste tocht naar het Sterrengebergte
Op 14 november 1955 vertrekt vanuit Mindiptana onder leiding van onder-afdelingshoofd Schoorl een expeditie, waarvan 60 dragers, 16 Papoea politie-mannen, Hermans en pater Putman deel uitmaken, in noordelijke richting. Kort daarvoor is in het bos een weg opengekapt van ongeveer 40 kilometer lengte over de waterscheiding Kamka, die de scheiding vormt tussen de Kaorivier en de Mujurivier. Waterscheidingen zijn vaak belangrijke verbindingsroutes, omdat dan de bergrug gevolgd kan worden zonder steeds te moeten afdalen naar het rivierdal om vervolgens weer naar boven te klimmen. Waterscheidingen hebben dan ook namen.
De weg is aangelegd in de hoop dat men in het gebied ooit met een jeep goederen zal kunnen vervoeren naar het 40 km noordelijker gelegen Waropko, de toekomstige standplaats voor een districtshoofd. Deze Kamkaweg te voet afleggen in de brandende zon, zonder enige schaduw, is een ware kwelling. De lokale bevolking mijdt de weg zoveel mogelijk. Zij lopen liever door het bos. Die ochtend heeft de expeditie geluk want het regent.

Sterrengebergte

kaart: www.natuurinformatie.nl

De afstand tot het plaatsje Mana, 25 km verderop, wordt in een normaal tempo afgelegd, ook al hebben de dragers een blik met ruim vijftien kilo voedsel op de rug mee te sjouwen. Dat voedsel is een reserve voor het verblijf in het bergland voor het geval dat er onvoldoende lokaal voedsel zoals zoete aardappelen en keladiknollen (taro) voor de dragers en de andere expeditieleden te krijgen zal zijn.

Op dinsdag 15 november 1955 worden over de Kamka de resterende 15 km afgelegd tot het plaatsje Waropko. Dat dorp ligt op een bergtop met een schitterend uitzicht over de bergen die het uiteindelijke doel van de tocht zijn. In Waropko wordt gerust. De familieleden die de dragers tot hiertoe hebben vergezeld nemen nu afscheid van hen. Ze zijn merkbaar onrustig omdat ze weten dat de tocht door onbekend gebied zal gaan. Een gebied waarvan men vermoedt dat er mensen wonen met staarten, mensen die er heel anders uitzien dan zijzelf en waar van alle kanten het gevaar op de loer ligt.
Expeditieleider Schoorl heeft besloten om een kortere route te volgen via de heuvelruggen Die liggen echter haaks op de looprichting. Dat betekent dus voortdurend klimmen naar de heuveltop, waarop meestal een dorp ligt, om vervolgens af te dalen naar de rivier, enzovoort. Meestal kan men op een afstand van niet meer dan een paar kilometer hemelsbreed het volgende dorp op de andere heuveltop zien liggen. Het vergt echter een hele dagmars over smalle dichtbegroeide bospaden, gebruikt door de dorpsbewoners, maar vaak opengehouden door varkens, om er te komen. Deze bospaden lopen zigzaggend naar de rivier, die met behulp van boomstammen of een kano wordt overgestoken, waarna de klim naar de volgende top via een slingerpaadje zich herhaalt.

De regenval in dit gebied is zeer hoog; het regent bijna iedere nacht. De neerslag in het nabijgelegen plaatsje Ninati bedraagt meer dan 6000 mm per jaar, met als gevolg niet alleen de bospaden moeilijk begaanbaar zijn door de modder, maar dat het ook wemelt van de bloedzuigers, die je werkelijk lijken te bespringen om zich aan jouw kostbare bloed te goed te doen. Tijdens looppauzes en ‘s avonds in het bivak is men dan ook druk om dit ongedierte, dat zich meestal vastzet op de benen, met behulp van tabakssap, een brandende sigaret of een paar druppels jenever te verwijderen. Domweg van het lichaam aftrekken veroorzaakt vaak moeilijk te genezen wonden. Het vocht van de bloedzuiger werkt ontstollend waardoor men snel een tropenzweer heeft opgelopen. Read more

Bookmark and Share

Einde van het stenen tijdperk – Mijn tweede standplaats – Sibilvallei

Wasojim, de bewaker van het iwol in Bebabib

Wasojim, de bewaker van het iwol in Bebabib

Hermans vindt het wel prettig als hij bericht uit Mindiptana ontvangt dat ik onderweg ben om hem nog enige maanden vóór zijn vertrek naar Nederland gezelschap te houden en daarna zijn taken over te nemen. Zoals gebruikelijk zal ook ik de tocht van Mindiptana naar de Sibilvallei te voet afleggen. Een route die Hermans al vier keer heeft gevolgd en die zo’n 10 tot 12 dagen duurt. Ik vertrek op 23 april 1958.

Een beginnend bestuursambtenaar bezit weinig materiële zaken, dus ik heb maar een paar dragers nodig. Mijn hondje Flap beschikt, gezeten in een mooie gevlochten rotan mand, over een privé-drager. Ik word ook vergezeld door tien man Mobiele Politie onder leiding van Pa II D. Roembiak, die hun collega’s in de Sibil gaan aflossen en door mijn kok Dominicus. Voor het benodigde voedsel voor deze tocht van zo’n 14 dagen moeten voldoende dragers mee, plus enige dragers voor het voedsel van de dragers. Steeds is het de kunst om het aantal dragers voor een tournee te beperken. De eerste dagen zijn de lasten dan misschien wat extra zwaar, maar bij het afnemen van de voedselvoorraden worden die al snel lichter.
Onze karavaan telt tenslotte 68 personen, waarvan 56 dragers, die tegen de middag van de eerste dag via de eerste ‘autoweg’ in aanleg, de Kamkaweg, op pad gaan in noordelijke richting. De bestuursambtenaren die de afgelopen jaren in het Moejoegebied hebben gewerkt en zich o.a. bezighielden met de aanleg van deze weg, koesterden de vrome wens ooit nog eens de eerste 40 kilometer van Mindiptana naar de districtsplaats Woropko comfortabel in een Landrover te kunnen afleggen. Maar voorlopig ligt het opengekapte tracé te blakeren in de zon en moet de zwetende en uitgedroogde reiziger het nog doen met zijn fantasie en de luchtspiegelingen, waarin geen auto opdoemt. Onderweg komen we een stel lieden tegen die op een geïmproviseerde draagbaar een man vervoeren, die bij een uit de hand gelopen ruzie een pijl in zijn oog heeft gekregen. Zij zijn onderweg naar het ziekenhuisje in Mindiptana waar men het slachtoffer hopelijk kan helpen.
De schutter/dader is al door de politie opgepakt en zal in Mindiptana voor de alleensprekend rechter, Controleur Kessler, moeten verschijnen. Een tocht met zo’n grote groep verloopt altijd trager dan je zou willen. De groep beweegt zich als een uitgerekt lint over de smalle bospaadjes. Al gauw bedraagt de afstand tussen de kop en de staart van de stoet in tijd gemeten meer dan een uur.
Het oversteken van de rivieren kost veel tijd. Na enkele dagen arriveren we bij de Kao rivier, maar het water staat te hoog en stroomt te snel om de oversteek te wagen. Dus wordt er tot de volgende morgen gebivakkeerd. Dan moeten de ‘veermannen’ van de twee kleine prauwen die hier liggen flink doorroeien, want de rivier begint door de aanhoudende regens bovenstrooms alweer onrustig te worden. Na twee uur peddelen staat de karavaan aan de overkant.
We passeren de op regelmatige afstand van elkaar gelegen dorpjes; sommige in aanbouw – het bestuur probeert de bevolking voor een betere bereikbaarheid te concentreren – andere vrijwel verlaten en verwaarloosd.
Het eerste dorp dat we aandoen is Komberenga. We vervolgen onze weg via Riabitip naar Koekoeboen. Hier ontmoeten we de lokale cargocult-leider Johannes Bitjap, die tot voor kort in Merauke heeft gewerkt als huisjongen bij Oom Sapi, de Nederlandse veeteeltambtenaar. In Mindiptana meldde hij zich bij Controleur Kessler met de mededeling dat hij het Bestuur kwam overnemen en dat hij in zijn geboortedorp landingsplaatsen ging aanleggen zodat de goederen (cargo) die de voorouders zouden sturen – en die tot nu toe steeds in handen van de blanken waren gevallen – daar met helikopters konden worden afgeleverd. In Melanesië is al eerder sprake geweest van grote Messiaanse bewegingen waaraan serieus aandacht moet worden gegeven omdat ze tot onrust en zelfs opstand onder de bevolking kunnen leiden. Maar gezien de geïsoleerde leefomgeving van Johannes zal hij niet zoveel volgelingen krijgen. Kessler heeft hem dan ook vriendelijk aangehoord, gezegd dat hij het bestuur nog niet aan hem kan overdragen en hem vervolgens naar zijn dorp laten doorreizen. Ik raad hem aan zijn in Merauke verworven kennis praktisch te gebruiken door de dorpelingen te helpen bij het schoonmaken en opknappen van het dorp en bij het verbeteren van de woningen. Zonder wrok over het feit dat we zijn heilsverwachting niet zo serieus nemen, stelt hij twee kamertjes van zijn bivak voor de nacht beschikbaar aan enkele dragers. Niet alle bosbewoners zijn vreemde passanten even goed gezind. Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress.

  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: aukevdberg@gmail.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter & BlueSky

    & Bluesky: @rozenbergq.bsky.social
  • Archives