Verborgen werelden ~ Typen jongensprostitués

No comments yet

darklondonalleyVerschillende eerdere studies beschrijven een vorm van min of meer professionele jongensprostitutie (callboys, beroepsprostitués, bisnisjongens of professionals). Andere typen die de verschillende onderzoeken vonden, zijn gebaseerd op factoren als werkplek, motivatie of leefstijl. Genoemd worden onder andere: pseudo’s, scharrelaars, gelegenheidsprostitués, noodsprong prostitués, gelukszoekers, gemarginaliseerden en bijverdieners. Al deze typen hebben we in hoofdstuk 1 kort beschreven, maar daar stelden we ook vast dat vrij veel van de studies van oudere datum zijn, waardoor de bevindingen niet vanzelfsprekend geldig zijn voor het heden, want in de jongensprostitutie – net als binnen de prostitutie in het algemeen – hebben zich de laatste jaren verschuivingen voorgedaan, met name van escortclubs en bordelen naar internet. In hoofdstuk 1 constateerden we ook dat veel onderzoek naar jongensprostitutie overwegend of uitsluitend gaat om meerderjarige jongens, vaak zelfs jongens van boven de 21 jaar. De vraag is in hoeverre de genoemde indelingen opgaan voor jongere jongens, de groep waarop wij ons hebben gericht in het veldonderzoek. Zijn ze niet te jong om bijvoorbeeld professional te kunnen zijn?

13.1 Indeling naar werkplek
Al bij de rekrutering van respondenten drong zich een eerste typologie op: een indeling gebaseerd op de manier waarop, respectievelijk de locatie waar de jongens hun klanten werven. Drie categorieën kunnen worden onderscheiden:
* 12 jongens werken in een bordeel en/of in de escort
* 21 jongens werven hun klanten via internet (en werken niet in een bordeel of in de escort)
* 11 overige jongens werven hun klanten in de horeca, via-via, op straat, etc. (en werken niet in een bordeel of in de escort en maken geen gebruik van internet)

Dit is een zeer pragmatische typologie, maar zou beleidsmatig zeer bruikbaar kunnen zijn omdat de indeling is gebaseerd op vindplaatsen. Voor preventiewerkers, sociaal geneeskundigen en (andere) hulpverleners biedt deze indeling in principe goede aanknopingspunten, niet alleen vanwege de praktische insteek van vindplaatsen, maar ook omdat de afzonderlijke typen op bepaalde punten samengaan met het profiel van de jongens. Zo is geen enkele respondent die in een bordeel en/of in de escort werkt minderjarig, terwijl vrijwel alle jongens binnen dit type allochtoon zijn (meestal westers allochtoon).

Ze wonen zelden nog bij hun ouders, een enkeling gaat nog naar school en de helft heeft een echt baantje naast de prostitutie. Deze jongens zouden we kunnen karakteriseren met: ‘seks als inkomstenbron’. Zij komen nog het meest in de buurt van de professionals. Onder de internetjongens treffen we wel minderjarigen aan, zij het dat de meeste van hen ouder dan 18 jaar zijn. De helft van deze jongens is autochtoon. Vrijwel allemaal gaan ze nog naar school of hebben ze een baan. Ruim de helft woont nog bij zijn ouders. Bij deze jongens lijkt het te draaien om ‘seks als bijverdienste’. De overige jongens vormen een opvallend gemêleerde groep. Dat geldt zowel voor leeftijd (een enkeling is minderjarig) en hun etnische achtergrond als voor bijvoorbeeld het al dan niet volgen van een opleiding of het hebben van een (bij)baan en voor hun woonsituatie. Omdat er nogal wat jongens

Tabel 13.1 Profiel naar werkplek

Tabel 13.1 Profiel naar werkplek

tussen zitten die in contact geweest zijn met de politie (8; 73%), lijkt het bij deze jongens te gaan om betaalde seks binnen een deviante of avontuurlijke leefstijl.

Een belangrijke beperking van de indeling naar werkplek is echter dat de drie categorieën zich echter nauwelijks (significant) onderscheiden naar bijvoorbeeld ongewenste sekservaringen. Misbruik en dwang, maar ook problemen op het gebied van scholing, inkomen, justitie, drugs en geestelijke gezondheid bepalen de ernst van de situatie en de noodzaak tot interventie. Daarom is een typologie gezocht op basis van ‘probleemindicatoren’.

13.2 Indeling op basis van problematiek
Een typologie waarbij meerdere factoren een rol spelen is lastig te maken. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is een clusteranalyse, een statistische methode waarbij groepen (clusters) worden gevormd op basis van maximale kwantitatieve overeenkomsten binnen de clusters en maximale verschillen tussen de clusters. In de clusteranalyse zijn de volgende probleemindicatoren meegenomen[xxxvi]:

Opvoeding: niet opgevoed door beide ouders (ja/nee)
Startkwalificatie: geen diploma behaald (ja/nee)
Werkloosheid: volgt geen opleiding en heeft geen baan (ja/nee)
Delinquentie: in contact geweest met politie/justitie (ja/nee)
Druggebruik: gemiddelde uitgaven aan drugs per maand
Geestelijke gezondheid: gemiddeld rapportcijfer leven in het algemeen
Hulpverlening: ooit contact met hulpverlening (ja/nee)
Hulpbehoefte: wil hulp bij problemen (ja/nee)
Misbruik: ooit seks tegen je zin (ja/nee)
Initiatie: gemiddelde leeftijd eerste keer seks tegen vergoeding
Dwang: ooit onder druk gezet om seks tegen vergoeding te hebben (ja/nee)
Geweld: ooit te maken gehad met geweld tijdens het werk (ja/nee)
Plezier: vindt het niet leuk om seks tegen vergoeding te hebben (ja/nee)

De clusteranalyse resulteert in een driedeling. De typen kunnen op basis van de probleemindicatoren en achtergrondkenmerken (tabel 13.2), in combinatie met kwalitatieve informatie uit de interviews, als volgt worden gekarakteriseerd:

(1) profs en weekendamateurs;
(2) slachtoffers; en
(3) avonturiers.

Deze indeling loopt slechts in beperkte mate parallel met de indeling naar werkplek. Het type ‘profs en weekendamateurs’ is significant vaker te vinden op het internet, maar op de andere werkplekken treffen we alle drie typen aan.

Profs en weekendamateurs (n = 19)
Voor deze jongens is het hebben van seks tegen vergoeding een vak, of op z’n minst een serieuze hobby. En ze zijn er goed in. Ze zijn allemaal meerderjarig en voornamelijk autochtoon Nederlands of westers allochtoon. Ze hebben een opleiding afgerond, hebben vrij vaak een (bij)baan (74%; 14) en wonen vaak op zichzelf. Alle jongens beschouwen zichzelf als homo- of biseksueel en de eerste echte seksuele ervaring was relatief vaak met een jongen/man. De eerste betaalde seks vond meestal ná hun 16e jaar plaats (95%; 18). Slechts een enkeling is ooit onder druk gezet om seks tegen vergoeding te hebben. De klanten worden opgepikt in cafés en bars of in een bordeel, maar er wordt vooral ook vaak gebruikt gemaakt van internet. De meesten hebben één of meer vaste klanten. Hoewel er wel eens conflicten zijn over de prijs, hebben de meeste van deze jongens plezier in hun werk. Vergeleken met de andere twee typen speelt hier de minste problematiek.

Tabel 13.2 Typologie op basis van probleemindicatoren

Tabel 13.2 Typologie op basis van probleemindicatoren

Hoewel ze nog vrij jong zijn, treffen we binnen dit type jongens aan die op basis van de literatuur (zie hoofdstuk 1) gerekend kunnen worden tot de beroepsprostitués (jongens die hun sekswerk niet zien als een tijdelijke job). Een duidelijk voorbeeld hiervan is Priotr (21 jaar). Andere jongens, zoals Erik (20 jaar), zitten op het grensvlak van beroeps- en gelegenheidsprostitutie (jongens die er naast hun prostitutieleven een normaal bestaan op na houden).

Piotr (21 jaar) is vanuit Oost-Europa, via Spanje en Groot-Brittannië, naar Nederland gekomen. Op 16-jarige leeftijd had hij zijn eerste seks met een man, die hij via internet had leren kennen. Piotr woonde toen nog bij zijn ouders. Op 18-jarige leeftijd, na het behalen van zijn middelbare schooldiploma, verliet hij het ouderlijk huis. Toen had hij al zijn eerste ervaringen met betaalde seks opgedaan. Sinds Piotr niet meer thuis woont, werkt hij in jongensbordelen. Hier in Nederland doet hij dat vrijwel elke dag, per maand heeft hij met zo’n 50-60 mannen betaalde seks, uiteenlopend van jonge kerels beneden de dertig tot en met vijftigers. Hij heeft ongeveer tien vaste klanten. Naast zijn bordeelklanten, werft hij zijn clientèle via een eigen website en in gay clubs. Klanten krijgen niet zijn privé-nummer, voor zijn werk heeft hij een ander 06-nummer. Als zijn belangrijkste handelsmerk beschouwt hij dat hij gemakkelijk contact kan leggen en binnen 20 minuten weet of het wat wordt. Piotr heeft echt plezier in zijn werk en hij heeft nooit seksuele handelingen tegen zijn zin verricht. Klanten die seks zonder condoom willen, wijst hij kordaat af. Zijn belangrijkste probleem is dat hij geen eigen woonruimte heeft; hij slaapt momenteel in een goedkoop hotel.

Erik (20 jaar) is een autochtone jongen, een trotse homo die ‘gewoon gemakkelijk seks’ heeft en zich graag laat verwennen. Sinds kort woont Erik op zichzelf, maar hij heeft nog regelmatig en erg goed contact met zijn ouders. Hij heeft een middelbare beroepsopleiding afgerond en tegenwoordig werkt hij als stylist. Erik houdt van mooie, dure kleren, gaat graag en veel uit en blowt elke dag. Naar eigen zeggen heeft hij een ‘natuurlijk instinct’ voor betaalde seks tegen vergoeding. Erik spreekt niet van klanten, maar heeft het over dates, die hij via internet of tijdens het stappen ontmoet. Zijn klanten moeten er goed uitzien en liever jonger dan 30 jaar zijn. Soms, als het een knappe vent is of een heel gezellige avond, dan vraagt hij niet om geld. Hij heeft zo’n 20 keer per maand betaalde seks en hij heeft ook een paar vaste klanten.

Slachtoffers (n = 12)
Het profiel van de slachtoffers is op z’n zachtst gezegd niet rooskleurig. Meestal zijn ze opgegroeid in een eenoudergezin of pleeggezin. Een groot deel heeft een hulpverleningscarrière achter de rug – vooral in de ambulante (8; 67%) en/of residentiele (5; 42%) jeugdzorg – en tweederde heeft behoefte aan hulp bij actuele problemen. Ze zijn allemaal het slachtoffer geweest van seksueel misbruik. Seks tegen vergoeding begon op relatief jonge leeftijd: in de helft van de gevallen vóór hun 16e jaar (6; 50%). Eén op de drie is wel eens onder druk gezet om betaalde seks te hebben. Vrijwel alle jongens binnen dit type hebben of hadden een sugar daddy. Over het algemeen beleven ze geen genoegen aan hun werk.

Sommige van de jongens die we rekenen tot de slachtoffers zouden we ook kunnen scharen onder de noodsprongprostitués (jongens voor wie prostitutie fungeert als laatste uitweg om aan geld, onderdak, etc. te komen). Een voorbeeld hiervan is Julian (21 jaar). Andere jongens binnen het type van de slachtoffers, zoals Necdet (21 jaar), vertonen meer overeenkomsten met de scharrelaars, die naast prostitutie ook op andere illegale manieren aan geld komen.

Julian (21 jaar) heeft Zuid-Europese grootouders, maar hij is zelf geboren in Nederland. Sinds het einde van de basisschool, toen zijn ouders scheidden, heeft hij vooral voor zich zelf moeten zorgen en woonde hij wisselend bij familie, vrienden, kennissen en zijn ‘peetvader’. Toch heeft hij wel zijn vmbo af weten te maken. Vanaf zijn 13e jaar heeft Julian contact met de hulpverlening. Eerst met een psycholoog, later met de kinderbescherming en de ambulante hulpverlening. Op z’n 16e jaar is hij aangerand door een achterneef. Vanaf die leeftijd heeft hij seks tegen vergoeding, aanvankelijk voor een slaapplek, eten en drinken, vanaf z’n 17e jaar ook voor geld. Dat doet hij hoogstens enkele keren per maand. Hij heeft een paar keer geprobeerd om ermee te stoppen, maar dat is hem tot nu toe nooit echt gelukt, want hij verdient niet genoeg met zijn baantje in de horeca en hij zit in de schuldhulpverlening.

Necdet (20 jaar) is tijdens de basisschool naar Nederland gekomen. Met zijn vader, die vaak in detentie zat, heeft hij al heel lang geen contact meer en ook zijn moeder ziet of spreekt hij nooit. In de puberteit werd hij in een internaat geplaatst en sindsdien is hij bij allerlei hulpverleningsinstanties over de vloer geweest. Ook heeft hij een strafblad. Necdet is verslaafd aan harddrugs en het geld hiervoor verdient hij hoofdzakelijk met seks. Daarnaast dealt hij drugs. Hij woont nu bijna een jaar in bij een oudere man, die hem ook regelmatig geld toeschuift. Verder heeft hij geen vrienden. Necdet is meermaals slachtoffer geweest van seksueel misbruik.

Avonturiers (n = 13)
De derde groep is niet zo eenvoudig te duiden, want deze jongens vormen op nogal wat kenmerken een tussengroep. Toch springen er wel enkele aspecten uit. Ze zijn gemiddeld het jongst (39% is minderjarig), zijn het laagst opgeleid (maar dit komt wellicht mede door hun jongere leeftijd) en zijn relatief vaak van niet-westerse afkomst. Naar eigen zeggen leiden ze een prima leven; gemiddeld geven ze er bijna het rapportcijfer negen voor. Opvallend vaak zijn ze in aanraking geweest met de politie. Deze jongens vinden het niet persé leuk om seks te hebben met (oudere) mannen, maar ach als zo’n man nou zo gek is om ervoor te betalen, waarom niet? Op sommige van de avonturiers, bijvoorbeeld Andrej (20 jaar) past het predicaat scharrelaars, want naast prostitutie hebben zij inkomen uit bijvoorbeeld diefstal of inbraak.

Andrej (20 jaar) woont nog niet zo lang in Nederland; hij is illegaal met zijn ouders het land binnengekomen. Andrej heeft in het buitenland al vroeg met tal van hulpverleningsinstanties te maken gehad en is minstens tien keer gearresteerd, onder andere voor diefstal. Hij beweert eerst dat hij dat niet echt meer doet, maar geeft later toe dat het ‘af en toe’ nog wel gebeurt: ’Je weet hoe die shit gaat’. Andrej’s vrouw weet dat hij ook geld verdient met seks met mannen. Daar maakt zij zich niet druk over, ze weet immers dat hij hetero is, want ze hebben samen seks. Bovendien levert de seks met mannen veel geld op, zonder dat Andrej er veel voor hoeft te doen.

Andere jongens van het avonturiertype, zoals Paolo (15 jaar), zouden we eerder gelegenheidsprostitué kunnen noemen, ware het niet dat zij niet altijd een ‘normaal’ bestaan leiden. Sommige van deze jongens noemen zichzelf gold diggers. Een typisch voorbeeld hiervan is de 19-jarige Ranny.

Paolo is een in Nederland geboren niet-westers allochtone jongen van 15 jaar. Paolo noemt zichzelf een ‘hetero die oude mannen gek maakt.’ Vanwege zijn jeugdige leeftijd, waarmee hij graag koketteert, weet hij oudere mannen flink geld uit hun zak te kloppen. Zelf vindt hij dat hij geen echte seks met hen heeft, want ‘ik geil ze alleen op’. Weliswaar masturbeert hij met hen, maar dat is volgens hem geen seks. Ook klust Paolo bij als model van een fotograaf: ’een echte viespeuk’. Paolo is een paar keer in aanraking geweest met de politie. Hij blowt af en toe, maar harddrugs heeft hij nog nooit gebruikt. Paolo woont nog steeds bij zijn ouders en gaat ook nog naar school.

Ranny (19 jaar) is in Nederland geboren uit niet-westerse ouders. Hij is door zijn moeder opgevoed en woont nog steeds naar volle tevredenheid bij haar in huis. Hij heeft alleen het diploma van de basisschool en volgt geen onderwijs meer. Naast wat hij van zijn moeder krijgt, verdient hij geld door te dansen in clubs. Daar en overal elders waar zich de gelegenheid voordoet, pikt hij klanten op. Hij verdient er goed mee ‘want homo’s willen betalen voor seks met een neger en daar maak ik gebruik van.’ Ranny bekijkt het leven van de zonnige kant, gaat vaak uit en heeft veel vrienden.

13.3 Conclusie
Jonge jongens die aan seks tegen vergoeding doen zijn op een praktische manier in te delen naar hun werkplek of de manier waarop zij contact leggen met hun klanten. Zodoende kan een onderscheid gemaakt worden in drie typen:

* jongens die werken in een bordeel en/of in de escort;
* jongens die hun klanten werven via het internet (en niet werken in een bordeel en/of in de escort); en
* overige jongens die hun klanten op andere manieren werven, zoals in de horeca, via-via, op straat, etc. (en niet werken in een bordeel en geen gebruik maken van internet).

Tegenover de praktische voordelen van deze indeling naar werkplek – je weet waar je de jongens moet zoeken – staat als belangrijke beperking dat de drie categorieën zich nauwelijks (significant) onderscheiden naar bijvoorbeeld ongewenste sekservaringen. Met andere woorden: met een indeling naar werkplek weet je wel waar je de verschillende jongens zou kunnen vinden, maar niet echt goed om wat voor jongens het gaat en welke eventuele problemen zij hebben en in hoeverre zij hulp nodig hebben. Daarom is een typologie gezocht die hier wel rekening mee houdt. Dat levert een indeling op naar drie typen die, in combinatie met kwalitatieve informatie uit de interviews, als volgt worden gekarakteriseerd:

(1) profs en weekendamateurs;
(2) slachtoffers; en
(3) avonturiers.

Deze typologie loopt maar heel beperkt parallel met de indeling naar werkplek. Binnen elk van de drie typen werkplekken komen we zowel profs en weekendamateurs als slachtoffers en avonturiers tegen.

De alternatieve indeling laat verschillen zien in opvoeding en opleiding – zo zijn de profs en weekendamateurs het vaakst door beide ouders opgevoed en het hoogst opgeleid – en anderzijds verschillen in problemen. Tegenover het ‘slachtoffertype’, waarvan alle jongens seks tegen hun zin hebben gehad en die bijna allemaal hulp willen bij het oplossen van hun problemen, staan de profs en weekendamateurs, die in ruime meerderheid plezier hebben in seks tegen vergoeding, en de avonturiers, die vrijwel nooit te maken hebben gehad met geweld tijdens het ‘sekswerk’.

Typologie

Typologie

Tot op zekere hoogte overlapt deze alternatieve typologie met bestaande indelingen, zoals die beschreven zijn in de literatuur over jongensprostitutie (zie hoofdstuk 1). Schematisch kan deze overlap als volgt worden weergegeven.

Opvallend in dit vergelijkende overzicht is dat de zogeheten pseudo’s ontbreken. In de literatuur is dit de term voor jongens die uit zijn op het beroven en chanteren van hun ‘klanten’ (zie hoofdstuk 1). Weliswaar zijn er geïnterviewde jongens die wel eens geld of bezittingen van hun klanten gestolen hebben en zeker ook jongens die hun klanten bespelen om hen meer geld uit hun zak te kloppen, maar voor geen van de respondenten is dit typerend. Het ontbreken van pseudo’s is eenvoudig te verklaren: we hebben ons in de interviews uitsluitend gericht op jongens die daadwerkelijk aan seks tegen vergoeding doen en jongens uitgesloten die, onder voorspiegeling van maar altijd zonder daadwerkelijke seks, prostituanten beroven of chanteren.

Verreweg de meeste geïnterviewde jongens zijn niet te beschouwen als beroepsprostitués, dat wil zeggen: jongens die hun sekswerk niet zien als een tijdelijke job. Dat kan overigens een kwestie van leeftijd zijn. De jongens die in de literatuur worden beschreven als beroepsprostitué zijn vrijwel altijd meerderjarig, vaak zelfs boven de 21 jaar. Dit terwijl de jongens die wij interviewden allemaal jonger zijn. Geen van de jongens die zijn ingedeeld bij de profs en weekendamateurs is minderjarig. Het is dan ook zeker denkbaar dat een deel van de geïnterviewde jongens die nu (nog) niet tot de profs behoren, zich alsnog zal ontpoppen tot beroepsprostitué. Het meest voor de hand ligt dit dan bij de jongens die nu (nog) behoren tot het avonturiertype. Gemiddeld zijn de avonturiers het jongst en sommigen van hen zeggen zoveel plezier in betaalde seks te hebben, dat zij zich zouden kunnen ontwikkelen tot ware professionals.

Noot
xxxvi. Achtergrondkenmerken zijn niet meegenomen in de clusteranalyse. Wel is gezocht naar verschillen in achtergrondkenmerken tussen de clusters (onderste rijen in tabel 13.2).

LITERATUUR
Allen D.M. (1980) Young Male Prostitutes: A Psychosocial Study. Archives of Sexual Behavior 9(5): 399-426.
Bijleveld C. & Hendriks J. (2007) Gezin en seksueel misbruik. Overdracht van daderschap en slachtofferschap van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Criminologie 49(2):123-136.
Bovenkerk F, Komen M. & Yeşilgöz Y. (eds.) (2003) Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Buijs L., Hekma G. & Duyvendak J.W. (2009) Als ze maar van me afblijven. Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cusick L. (2002) Youth Prostitution: A Literature Review. Child Abuse Review 11(4): 230-251.
Daalder A. & Essers A. (2003) Seksuele delicten in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):354-368.
Diepenmaat A.C.M., Wal M.F. van der, Cuijpers P. & Hirasing R.A. (2006) Etnische verschillen in ongewenste ervaringen bij Nederlandse adolescenten. TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 83 (3): 51.
Donker A., Kleemans E., Laan P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004) Ontwikkelings- en levensloop-criminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):322-329.
Edwards J.M., Iritani B.J. & Hallfors D.D. (2006) Prevalence and correlates of exchanging sex for drugs or money among adolescents in the United States. Sexually transmitted infections 82(5): 354-358.
Gelder P. van (1998) Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela Thesis.
Gemert F. van (1991) Noord-Afrikaanse en Turkse homomoordenaars. Justitiële Verkenningen 17(1): 87-106).
GGZ (2006) Cliënten in de ggz 2006. Amersfoort: GGZ Nederland.
Graaf H. de, Meijer S., Poelman J. & Vanwesenbeeck I. (2005) Seks onder je 25e. Utrecht: Rutgers Nisso Groep / Soa Aids Nederland.
Graaf H. de, Höing M., Zaagsma M. & Vanwesenbeeck I. (2007) Tienerseks: vormen van instrumentele seks onder tieners. Utrecht: Rutgers Nisso groep, WODC.
Gurp L. van & Timman S. (eds.) (1998) Kinderporno en kinderprostitutie in Nederland, de stand van zaken. Utrecht: Child Right Worldwide en TransAct.
Hendriks J. (2006) Jeugdige zedendelinquenten: een studie naar subtypen en recidive. Utrecht: Forum Educatief.
Horn J.E. van, Bullens R.A.R., Doreleijers T.A.H. & Jäger M. (2001) Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens, een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora en Vrije Universiteit.
IJzendoorn M.H. van, Prinzie P., Euser E.M., Groeneveld M.G., Brilleslijper-Kater S.N., Noort-van der Linden A.M.T. van, Bakermans-Kranenburg M.J., Juffer F., Mesman J., Klein Velder-man M. & San Martin Beuk M. (2007) Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden, Leiden Attachment Research Program, WODC.
Jong D. J. de (2007) Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 159H (Motie van het lid Arib c.s.).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 163 (Verslag van een algemeen overleg).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, 1053 (vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).
Kleijer-Kool L. (2006) Marokkaanse ontkennende verdachten in het kinderstrafproces. Proces (3): 97-105.
Kooistra O. (2006) Jongens huilen niet, seksueel geweld tegen allochtone jongens. Amsterdam: Amsterdams Centrum Buitenlanders.
Korf D.J. (1995) Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers.
Korf D.J., Nabben T. & Schreuders M. (1996) Roemeense trekvogels: nieuwkomers in de jongensprostitutie. Amsterdam: Thela-Thesis.
Korf D.J., Deben L., Diemel S., Rensen P. & Riper H. (1999). Een sleutel voor de toekomst. Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Korf D.J., Ginkel P. van & Wouters M. (2004). Je ziet het ze niet aan. Zwerfjongeren in Flevoland. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Korf D.J., Vliet E. van, Knotter J. & Wouters, M. (2005) Tippelen na de zone. Straatprostitutie en verborgen prostitutie in Amsterdam. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lamers-Winkelman F., Slot N.W., Bijl B. & Vijlbrief A.C. (2006) Scholieren Over Mishandeling, resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Vrije Universiteit en PI Research.
Lampe A. (2002) The prevalence of childhood sexual abuse, physical abuse and emotional neglect in Europe. Zeitschrift fur psychosomatische medizin und psychotherapie 48: 370-380.
Leuw E., Bijleveld C. & Daalder A. (2003) Seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):330-337.
Leuw E, Bijl E.V. & Daalder A. (2004) Pedoseksuele delinquentie. Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en strafrechtelijke interventies. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Loeber R. & Farrington D.P. (2004) Verschillende oorzaken van delinquentie tussen etnische en nationale groepen. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):330-346.
McMullen R. (1987) Youth prostitution: a balance of power. Journal of Adolescence 10: 35–43.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2005) Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2007) Antenne 2006. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nadon S.M, Koverola C. & Schludermann E.H. (1998) Antecedents to Prostitution, Childhood Victimization. Journal of Interpersonal Violence 13(2): 206-221.
Pedersen W. & Hegna K. (2003) Children and adolescents who sell sex: a community study. Social Science & Medicine 56(1): 135-147.
Poel S. van der (1991) In de Bisnis: professionele jongensprostitutie in Amsterdam. Arnhem: Gouda Quint.
Qrius (2005) Jongeren 2005. Het speelveld verandert. Amsterdam: Qrius.
Repetur L., Meinster N., De Kinderen M. & Schakenraad M. (eds.) (2005) Naar een effectieve en samenhangende aanpak van jeugdprostitutie. Utrecht: Transact, Informatiepunt Jeugdprostitutie.
Seng M.J (1989) Child Sexual Abuse and Adolescent Prostitution: A Comparative Analysis. Adolescence 24(95): 665-675.
Silbert M.H. & Pines A.M. (1983) Early Sexual Exploitation as an Influence in Prostitution. Social Work 28(4): 285-289.
Svedin C.G. & Priebe G. (2007) Selling sex in a population-based study of high school seniors in Sweden: Demographic and psychosocial correlates. Archives of sexual behaviour 36(1): 21-32.
Transact (2005) Factsheet jongensprostitutie: feiten en cijfers. Utrecht: TransAct
Weijnen F. (2006) De schaduw bedreigd, een explorerend onderzoek naar de effecten van toezicht op mannelijke prostitués in Amsterdam. Enschede: Universiteit van Twente.
Widom C.S & Ames M.A. (1994) Criminal Consequences of Childhood Sexual Victimization. Child Abu-se and Neglect 18: 303-318.
Wijk A.Ph. van (2005) Juvenile sex offenders and non-sex offenders: a comparative study. Wageningen: Ponsen & Looien.
Wittebrood K. (2004) Van delictmelding tot officiële aangifte: sprake van sociale ongelijkheid? Tijdschrift voor Criminologie 46(1): 56-71.
Wittebrood K. (2006) Slachtoffers van criminaliteit: feiten en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 10 + 12 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent articles

  • Rozenberg Quarterly categories