Studio Meritis MaKOM


Foto: Ilya Rabinovich

Studio Meritis MaKOM (Joseph Semah and Linda Bouws) is aware of the urgent need to add new perspectives to the dominant Western traditional way of thinking in our globalizing world.
The Western world has been predominately manifested by iconic works of art, literature, film, theatre, philosophy, often related to traditional Christianity.
But culture is not static, it is always changing: today’s culture is tomorrow’s heritage.

Seen from this perspective, it is necessary to take a critical look at how Western culture and art are presented and why. It is also important to recognize and accept sources and traditions of other cultures.
We will be searching for new structures and a new conceptual vision which will better reflect the reality of our pluralistic society. This will require thinking out of the box, whereby the artist’s scrutiny on the creative processes in the West will play an important role.

Mission
Studio Meritis MaKOM is committed to investigate and encourage different views on the current artistic research into Western culture. New research into the existing way of thinking will lead to new and maybe forgotten information, representations and interpretations. We will develop these, analyse them and provide them with a podium.
Our aim is to stimulate a collective commitment and to make a contribution to the debate on Western art and culture by also including non-Western art and culture.

Studio Meritis MaKOM reflects and provides context for art and culture.

Studio Meritis MaKOM focuses on
– Current global developments and discussions on Western art
– Contextualization of Western art
– The significance, relevance and representation of Western art, culture and politics in a complex world of interculturalism.

© Metropool Foundation International Art Projects

www.metropool-projects.com
www.josephsemah.nl

Contact: lindabouws@gmail.com
Mob: +31(0) 620132195

Bookmark and Share

Op de vleugels van de draak – Globaliseringslezing 2013


In de lente van 2009 kocht ik een Emirates Airlines-ticket voor een reis van twee maanden naar Dubai en Guangzhou – de Chinese havenstad in de Pareldelta, bij ons beter bekend als Kanton. De jaren daarvoor had ik veel tijd doorgebracht in Congo en drie boeken over het land geschreven. Ik was blij iets nieuws te gaan zien, maar ook enigszins beschroomd: Dubai kende ik al, maar het was mijn eerste reis naar China. Kon ik er op dit moment in mijn geschiedenis zomaar een nieuw gebied bijnemen, zou ik mezelf naar binnen kunnen wurmen zoals ik in Congo had gedaan en me zo klein maken dat ik kon kijken in plaats van bekeken te worden?

Viereneenhalf jaar later is er mijn nieuwe boek Op de vleugels van de draak, waarin ik beschrijf wat globalisering betekent in het leven van Afrikanen en Chinezen die heen en weer reizen tussen Afrika en China.

Ik hou altijd een lijst bij van de plaatsen die ik onderweg aandoe en de tijd die ik er doorbreng. Zelden is de rij zo lang geweest, zelden figureerden er zoveel namen op. Changsha, Jinhua, Bagua Cun, Wuhan, Yiwu – ik had een duizelingwekkende vaart en kwam een grote hoeveelheid mensen tegen, die net als ik onderweg waren en vaak evenveel reden tot schroom hadden als ik, al leken ze daar aanmerkelijk minder last van te hebben.

De Congolese commerçant Henri, die in Dubai een container vollaadde met schoonheidsproducten, had Engels geleerd uit een zakwoordenboekje tijdens de vlucht van Kinshasa naar Addis Abeba. Hij begreep aanvankelijk niet waarom mensen in Dubai ‘nee’ antwoordden op alles. ‘I no, I no’ – pas na een tijdje snapte hij dat ze ‘I know’ zeiden. De Chinese Shudi had na twaalf jaar Zuid-Afrika weliswaar een aarzelende Engelse woordenschat opgebouwd, maar toen ik na onze ontmoeting zei: ‘I hope to see you again one day’, stond hij hulpeloos tegenover me en vroeg: ‘One day? Which day: Monday, Tuesday?’

Ik kwam terecht in een wereld vol mythes en sterke verhalen. De Malinese commerçant Cheikhna vertelde me dat de Chinezen pas vis begonnen te eten nadat de Malinese president Modibo Keïta in de jaren zestig tijdens een reis naar zijn geliefde China een aantal vissen meenam voor Mao, die ze dankbaar uitzette in een vijver. Shanshan, een Chinese studente Afrika Studies, bekende me dat haar moeder bang was haar naar Afrika te laten vertrekken: ze dacht dat haar dochter daar zwart zou worden en haar kansen op de Chinese huwelijksmarkt zou verspelen.

Soms voelde ik me als de Chinese migrant die op een luwe avond in Guangzhou neerzeeg op zijn geruite koffer en verward om zich heen keek naar het voorbijrazende verkeer op de Huanshi Zhongstraat – net een stripfiguur die uit het hemelruim was gevallen en zich in een halo van sterretjes afvroeg waar hij in godsnaam terecht was gekomen.

Wat zocht ik, wat hield me al die jaren in beweging? Het is soms goed achteraf stil te staan en na te gaan hoe het allemaal begon. Read more

Bookmark and Share

Culture And Identity After Brexit


The United Kingdom’s accession to the European Union in 1973 has always been somewhat of an anomaly. The founding fathers of the European Coal and Steel Community, were it commenced, all had the common objective to prevent the causes that had led to two world wars.
First objective was to create a common market and subsequently increased cooperation and exchange between the peoples of Europe would develop. The UK was actually only interested in commerce and the benefits of a common market. They were only mildly interested in the implicit political objective of an increasing European union.

Initially this deviating position did not stand out; that is until the Maastricht Treaty in 1992. When the European Union was founded, the interests of the then Member States ran more or less parallel. Membership gave access to the common market, thereby bringing each member undeniable great financial benefits. Gradually however it seemed that the United Kingdom found that to be sufficient.
The political commotion they caused over the abolition of their Imperial measurements for the metric measurement system (meters, kilo’s, litres) gave a clear impression of the lack of any understanding of the ‘European ideal’ by the people of this island.

Teamwork
The UK has therefore never joined the Schengen Agreement, let alone the Eurozone. David Cameron has, up to the last moment, strongly opposed more competences to Brussels.
Now that Brexit is a fact, Europe can concentrate on the ultimate objective of the whole project: shaping a continent in which economic prosperity can coexist with progressive development of the democratic participatory process, improve the exercise of citizenship for all Member States and attention for the community of values which do not exist –in this form- in other parts of the world.
The identity of Europe is after all determined by the unique interaction between economic collaboration and democratic development. Read more

Bookmark and Share

Vrijheid van meningsuiting onder druk. Toneel in Amsterdam 1930-1941


Albert van Dalsum in De beul, 1935. Foto: Kurt Kahle. Collectie Theater Instituut Nederland

In de 20er en 30er jaren van de vorige eeuw schreeuwden intoleranten van allerlei pluimage zonder enige gêne om hun speciale orde en tucht. Voor de kunsten was het een moeilijke tijd. Voor toneel- en cabaretgezelschappen in het bijzonder, die immers met hun kunstvorm een onmiddellijke dialoog aangingen met het publiek. Naast censuur via de overheid en de media en de publieke opinie, voerden ook vele gezelschappen in Nederland zelfcensuur in uit angst een bevriend staatshoofd te beledigen.

De Amsterdamsche Toneelvereening en De Jonge Spelers
Twee belangrijke Amsterdamse gezelschappen, die zich hiertegen verzetten, waren de Amsterdamsche Toneelvereeniging (ATV) en De Jonge Spelers, beide in 1932 opgericht. ATV wilde “het levend toneel van onze tijd spelen” en bracht stukken, zowel klassiek als modern, met een actuele problematiek en was met De Jonge Spelers, die zich in dienst hadden gesteld van de arbeidersbeweging (een publiek dat deels niet geactiveerd hoefde te worden in de strijd tegen het fascisme), het enige gezelschap dat niet voorbijging aan het maatschappelijke en politieke klimaat. De beide groepen vroegen van het publiek betrokkenheid, vooral ten opzichte van de dreiging van het opkomend nazisme sinds Hitlers machtsovername in 1933.
In 1936 voerden De Jonge Spelers Professor Mamlock van de Duitser Friedrich Wolf op. Het stuk was eerder in Zürich (1935) voor het eerst opgevoerd. Wolf, die geweigerd had te bukken onder het juk van het nationaal-socialisme, had zich genoodzaakt gezien in ballingschap te gaan in Zwitserland en zette daar zijn strijd tegen het nazisme voort.
De joodse Professor Mamlock gelooft in eerste instantie de berichten in de kranten na de Rijksdagbrand in 1933 dat de socialisten schuldig zijn. Maar door de daaropvolgende joden boycot worden zijn ogen geopend en dringt de gruwelijke realiteit tot hem door. Als hij beseft hoe alles anders is geworden, dat hij zijn waarden niet meer kan handhaven onder de dictatuur van het nationaalsocialisme, pleegt hij zelfmoord. De voorstelling van Professop Mamlock in Amsterdam vond plaats in besloten kring, in de toneelzaal van Krasnaplosky. NSB-ers die de voorstellingen trachtten te verstoren werden door de
ordedienst van de SDAP de zaal uitgewerkt.
Ook de ATV wees op de gevaren van het nationaal-socialisme en voerde eind 1935 De Beul op, een bewerking van de novelle van de Zweed van Pär Lagerkvist. Het eerste gedeelte speelde zich af in een middeleeuwse kroeg, het tweede in een moderne dancing. Dit laatste gedeelte, vooral na toevoeging van enkele passages over concentratiekampen, bevatte duidelijke toespelingen op Nazi-Duitsland. De oorspronkelijke negatieve strekking van het stuk paste niet bij de levensvisie van de regisseurs Van Dalsum en Defresne en werd veranderd in een positieve: verlossing van het geweld door de mens. Het stuk werd
toegejuicht in de linkse pers, die zich achter de antifascistische strekking konden scharen.
Maar in andere bladen werd De Beul scherp veroordeeld; sommige recensenten eiste zelf ingrijpen van de overheid. Op 1 december kwam de NSB in actie en met veel tumult en gevechten maakten zij hun bezwaren tegen het stuk kenbaar. Het liep uit op totale chaos. De Amsterdamse burgemeester De Vlugt zag echter geen aanleiding het stuk te verbieden: “Voor terreur ga ik niet opzij, met terreur reken ik af.” Read more

Bookmark and Share

Joseph Sassoon Semah, Stedelijk Museum Amsterdam ~ Statement 20 oktober 2017


Foto: Linda Bouws

Dames en heren, dank voor uw aandacht, ik ben een heel klein beetje medeplichtig aan het ontstaan van deze avond en Margriet Schavemaker was zo attent me te vragen die achtergrond toe te lichten. In 10 minuten ga ik dat doen (of 9 1/2 ).

Toen ik enkele jaren geleden mijn eerste werk van Joseph zag, was ik in het gezelschap van een vermaard kunstkenner met grote mond, een vriend die ik nu X ga noemen.
We stonden op een tentoonstelling en ik zag… wat was het?.. bladpapier met notenbalken… een omtrek van een liggende hond? De vorm van een hut? Wat, waarom en hoe: ik zag het niet precies, maar ik dacht: hé, dát vind ik mooi! Wat een eigenzinnige wereld.
Dat mooi slikte ik nét op tijd in. Kunstkenner X had me immers geleerd: échte kunst, vinden wij niet mooi, echte kunst, vinden wij goed. Dat je iets ook nog mooi kan vinden, is volkomen onbelangrijk, oftewel: oninteressant.

Dit fascineert me: het lukt me nooit om naar eigen tevredenheid uit te leggen waarom ik een kunstwerk mooi vind. Het werk van Joseph trok me aan, zonder dat ik kennis had van de achtergrond en referenties. Ik stamelde wat over scherp pikzwart op verkleurd papier, zo wonderlijk een huisje onder een tafel geplakt en ik probeerde mijn onkunde beschaafd te maskeren door wat te mompelen over hoe interessant het opduiken van het motief van de herhaling was, misschien zei ik bij een installatie met hout en metaal zelfs wel iets als: zo sterk dat conflicterende materiaalgebruik.

Waarom is iets mooi? En waarom is iets goed? Tja, ik heb vele, véle gortdroge essays over oude en nieuwe kunst gelezen en in ieder geval wat mooi betreft besloten: hoe mooier het werk, hoe slechter erover wordt geschreven.

Gelukkig begon X me uit te leggen waarom het werk goed was. En zoals meestal in dat soort gevallen, vertelde hij niet zozeer over wat ik zag, maar vooral over waar het aan refereerde, over de ideeën waar het uit voortkwam: over de hoogstpersoonlijke zoektocht van de kunstenaar.
En even werd ik als de moderne museumbezoeker, een lid van de zwijgende massa die devoot luistert naar de audiotour op de koptelefoon en niet in een museum maar op een Open Universiteit lijkt rond te lopen. Read more

Bookmark and Share

A Conversation With Joseph Sassoon Semah


On Friendship / (Collateral Damage) The Guardians of the Door | Art performance by Joseph Semah (Amsterdam) and György Dragomán | Millenáris, Building B | Photo by Oliver Sin

Joseph Sassoon Semah: Before we begin, there is something important I would like to mention. You see that I have changed my name to Joseph Sassoon Semah.*

Zsuzsanna Szegedy-Maszák: And why is that?

JSS: Beginning on the 20th of October, my name will be Joseph Sassoon Semah as a reflection of the third exile project. I was born in Bagdad. As a family, we were displaced to the State of Israel, and now I am a guest in the West. My grandfather was the chief rabbi of the Babylonian Jews who lived in Bagdad. So I thought that instead of explaining my background every time I would just add the family name Sassoon so people will understand.

ZsSz-M: You often talk about being in a state of self-imposed exile, or rather as a guest. How does your art reflect this?

JSS: I read to the idea of the guest through my mother tongue. For me the guest is not just a friendly person who comes and you let him stay in your home for five days. The guest is someone who stays and works for the good of the whole world. Remember, in Hebrew, we don’t have the word exile. To begin with, גלות, or GaLUT, is not Exile, nor is it Diaspora or an existing place; GaLUT is simply a disciplined activity, an intensive vision, and it is what GaLUT does – it transforms each and every temporary מקום, MaKOM or place of shelter, into a perpetual search for a Hand Full of Soil.

ZsSz-M: You mentioned that your mother tongue is Hebrew, and in a previous interview you mentioned that visual art is in fact a second language for you.

JSS: The Hebrew language is my home. Where can I dwell? In language itself.

ZsSz-M: The manner in which you approach art seems very textual to me. You speak about reading artworks through the Hebrew language. You regard artworks as ‘footnotes’. You recite or read texts aloud during your performances. What is your relationship to literature or to texts? Do you approach visual art from this textual stance? And a follow up question: do you regard music in a similar, textual manner?

JSS: The first time I used a musical score in my art was during my inquiry into a very important moment in history: the meeting between Paul Celan and Heidegger in the Black Forest village of Todtnauberg on July 25th 1967. I placed the two images on a Wagner score, so I used it in an intellectual way. Music to me is textual. I am not an artist of a gallery. I cannot reproduce an image on demand. I call my artworks ‘footnotes’ to a text, but in fact they are part of the text.

Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Rozenberg Quarterly Articles

  • Rozenberg Quarterly Categories

  • Rozenberg Quarterly Archives