Rechten in Utrecht – 365 jaar rechtsgeleerdheid

No comments yet

Rechten-in-Utrecht‘Quel-geesten van het menschelicke geslachte‘. Zo werd in de zeventiende eeuw over de rechtsgeleerden gesproken, als we tenminste de hooggeleerde dominee Gisbertus Voetius mogen geloven. Hij was degene die in 1636 voor het kerkvolk in de Dom op de zondag voor de inwijding van de nieuwe academie uitleg gaf over de verschillende wetenschappelijke disciplines. Althans, hij probeerde uit te leggen waarom een universiteit in overeenstemming was met het christelijk geloof.

Van alle wetenschappen gaf hij in zijn Sermoen van de nutticheydt der Academie ende scholen … als het ware een rechtvaardiging. Als eerste nam hij de rechtsgeleerdheid onder de loep. En ofschoon de juristen vaak als kwelgeesten werden gezien, zij waren toch onmisbaar. Immers: zelf de Bijbel – vooral de Pentateuch – stak vol met rechtsgeleerdheid. Het recht, zo vertelde Voetius zijn gehoor ook, was nodig voor de instandhouding van de maatschappij, een maatschappij waarvan ook de kerk deel uitmaakte. De rechtsgeleerdheid moest eveneens in staat geacht worden bepaalde bijbelse passages te verklaren. Zelfs waren er voorbeelden van grote theologanten die eerst rechtsgeleerden waren. Calvijn was zo iemand.

Nieuwe universiteiten
Zoals Voetius hier de zaken voorstelde zal bij het kerkvolk goed zijn gevallen, maar het deed niet helemaal recht aan de realiteit. Het godsdienstig element leek bij hem het hoofdargument te vormen voor de oprichting van een academie. In werkelijkheid bestonden er verschillende redenen naast elkaar om een universiteit te stichten. In de eerste plaats kwamen die voort uit grootschalige, structurele politieke ontwikkelingen. Met name in de tweede helft van de zestiende eeuw ontstond in Europa een golf van nieuwe stichtingen van universiteiten als gevolg van een toenemende behoefte aan gekwalificeerde ambtenaren. De zestiende eeuw was immers de periode waarin een steeds verdergaande bestuurlijke centralisatie tot stand kwam, met een bijbehorende bureaucratisering. Het spreekt voor zich dat met name rechtenfaculteiten van belang werden geacht. Het zal daarnaast duidelijk zijn dat dit alles in sterkere mate gold voor de nieuwe Republiek der Verenigde Nederlanden, die vooral vanaf de cruciale stichtingsperiode in de jaren 1588-1598 (de beroemde ‘Tien Jaren’) flinke aantallen loyale en geschoolde ambtenaren nodig had.

Toch had Voetius niet helemaal ongelijk in zijn nadruk op het belang van de godsdienst in het wetenschappelijk bedrijf. Universiteiten werden namelijk ook gesticht om te voorzien in de behoefte aan zielenherders. Met name heeft dit mede een rol gespeeld bij de stichting van een groot aantal universiteiten in het Noordwesten van Europa, waar de afgescheiden kerken behoefte hadden aan goed opgeleide predikanten. Tenslotte telde ook mee dat universiteiten belangrijke instellingen waren voor de vorming van zonen van de elite, zowel van de adel als van de welgestelde burgerij. En ook hier gold de juridische studierichting – naast de studie van de klassieken – als nuttige bagage voor het leven.

Zo waren er genoeg redenen om in Utrecht een universiteit te stichten. Er werd al rond 1600 over gedacht, maar steeds weer waren de omstandigheden er niet gunstig voor. De ene keer was het de economische situatie die roet in het eten gooide, dan weer waren de politieke en militaire vooruitzichten van de jonge republiek ongunstig. Wat ook niet hielp was dat de Provinciale Staten van Utrecht, die als soeverein toestemming moesten geven om een universiteit te mogen stichten, eerder geporteerd leken voor de gedachte om Amersfoort een instelling voor hoger onderwijs te schenken. Maar toen de stad Utrecht in 1634 een Illustre School stichtte – en dat zelf betaalde – werden de bezwaren opzij gezet. Waarschijnlijk heeft ook meegespeeld dat in 1632 in Amsterdam eveneens een Illustre School werd opgericht. Want naast alle andere genoemde argumenten voor het oprichten van een Illustre School of een universiteit  telde ook het prestige mee dat van zo’n instelling afstraalde.

Hoewel een Illustre School een belangrijk bezit was voor een stad, en er beroemde professoren aan konden werken, was het nog geen universiteit. Er mochten namelijk geen graden verleend worden. Vandaar dat het niet lang duurde voordat de Utrechtse vroedschap de heren Staten verzocht een echte universiteit te mogen stichten. Een van de argumenten was het succes van de Illustre School, al had dat voor een belangrijk deel ook te maken met de pest die in Leiden was uitgebroken. Er was een zodanige toeloop van studenten dat het al in 1635 nodig was om naast de hoogleraar Antonius Matthaeus ‘noch een professor juris’ te benoemen ‘tot eere van de Illustre Schole ende profijt van de jeught’. Ook nu stemden de Staten in met het verzoek van de Utrechtse vroedschap en verleenden zij het octrooi om een universiteit te stichten. Het zou een stedelijke universiteit worden – een unicum in de Republiek – die ook door het Utrechtse stadsbestuur zou worden bekostigd. Wel werd, net als elders, die bekostiging gevonden in de geconfisqueerde goederen van de katholieke kerk, die, zoals dat heette, ad pios usus werden gebruikt: voor vrome doeleinden als de kerk, de diaconie en de universiteit.

Een vroegmoderne universiteit
Zo kon op woensdag 16 maart 1636 – eigenlijk op 26 maart, maar in Utrecht werd nog tot 1700 vastgehouden aan de oude Juliaanse kalender – de nieuwe universiteit geïnaugureerd worden. Die dag waren verschillende optochten te zien in de stad. Uit het gemeentehuis vertrok een stoet die werd geopend door vijf deurwaarders, de schout en de burgemeesters. Daarna volgden de nieuwe rector magnificus Bernardus Schotanus, de tweede jurist naast Matthaeus, met de twee oudste leden van de raad en de ‘Pedel met syn rock, daerop geteyckent in silvere letteren: Ac. Ultr’. Ende overige hoogleraren, ‘alle met haer tabberden’. Deze stoet werd gecompleteerd door de rest van de magistraten en hun gevolg. Tegelijk met dit cortège vertrok een andere stoet met hoogwaardigheidsbekleders van de provincie vanuit de statenkamer. Hiervan maakten ook leden van de ridderschap deel uit, naast gecommitteerden van de Utrechtse steden. Terwijl de beide optochten door de stad gingen werden op het Domcarillon ‘eenige fraye musijcqstucken’ gespeeld. Met enkele toespraken, muziek en het overhandigen van de scepter, de zegels van de universiteit en ‘een schrijffboeck omme daerinne geschreven te worden de wetten van de Academie ende de namen der studenten’ werd het officiële gedeelte van de feestelijkheden afgehandeld. ‘s Middags werd nog door het stadsbestuur een ‘treffelicke maeltijdt’ aangeboden en ‘s avonds om acht uur werden, onder het luiden van alle stadsklokken en onder saluutschoten van de wacht, voor het stadhuis pektonnen aangestoken. Tot slot was er op het Neude vuurwerk. Het officiële verslag van de gebeurtenissen eindigde als volgt: ‘In manieren voors. Is gecelebreert de inauguratie van de Academie ‘t Utrecht, dewelcke Godt Almachtich wil segenen ende laten toenemen ter eere van Sijn Heylige naem ende de gemeene welvaert van de Kerkcke ende Republicque, Amen.’

Hoe functioneerde nu zo’n universiteit als de Utrechtse – en in het bijzonder de juridische faculteit – tijdens het Anciem Régime, in ons geval van 1636 tot 1815? Van belang is, het is al eerder gezegd, dat de Utrechtse universiteit een stedelijke universiteit was. Dat betekende dat het de stedelijke overheid was die voor het grootste deel verantwoordelijk was voor de financiën, voor de huisvesting en voor de benoemingen (zij het dat in de achttiende eeuw de stadhouder zich daarmee wel bemoeide). Dat had zo zijn voordelen, maar ook nadelen. Het voordeel was dat de lijnen kort waren, dat er snel gereageerd kon worden. Het betekende ook dat de verantwoordelijkheid voor het wel en wee van de academie dicht bij huis lag. Anderzijds was de universiteit kwetsbaarder omdat ze afhankelijk was van de stedelijke economie en van de stedelijke politieke verhoudingen.

Hoe dicht de politiek de universiteit kon naderen laten de gebeurtenissen in de Patriottentijd zien. Zo was bijvoorbeeld de hoogleraar Romeins en hedendaags recht J.H. Voorda, telg uit een bekend juristengeslacht, na de Patriotse omzetting in 1786 lid geworden van de Utrechtse vroedschap. Hij had daarbij ontslag genomen als hoogleraar en in zijn plaats was de Harderwijker hoogleraar Pieter Roscam benoemd. Nadat de Patriotten in 1787 op hun beurt aan de kant waren gezet, werd de benoeming van Roscam – die inmiddels zijn inaugurele rede al had gehouden – weer ongedaan gemaakt. Voorda werd, hoewel hij een jaar tevoren zelf al ontslag had genomen, alsnog ontslagen en door het Hof verbannen.

De organisatie van de universiteit was dus vrijwel in handen van de vroedschap, die de zaken regelde met de door hen benoemde rector magnificus, die tevens functioneerde als secretaris van de senaat, en enkele hoogleraarassessoren. In de praktijk werden de lopende kwesties afgehandeld door een curatorium dat bestond uit de burgemeesters en enkele door hen aangewezen leden van de vroedschap. Een ‘bureau’ zoals we dat tegenwoordig kennen, was er niet. Wel was er hulp van een pedel (sinds 1651 zelfs twee) en stond de stadssecretaris eveneens ter beschikking van de academie.

De hoogleraren waren – ook toen – verdeeld over verschillende faculteiten: de juridische, de theologische, de medische en de literaire of filosofische faculteit. De laatstgenoemde gold als een lagere faculteit, als voorbereiding op de drie andere. Ze had, zeg maar, een propedeutische functie. Hoogleraren in die faculteit verdienden ook minder dan hun collega’s. In de periode van het Anciem Régime had de universiteit gemiddeld 12 tot 14 hoogleraren in dienst, waarvan drie juristen. Deze hoogleraren gaven verschillende soorten colleges op verschillende locaties. Om te beginnen waren zij verplicht – en hier zien we iets van de betekenis van een universiteit voor een stad – openbare colleges te geven die gratis en voor iedereen toegankelijk waren. Deze colleges werden gegeven in een van de twee collegezalen die de universiteit rijk was: het Grootauditorium van het Kleinauditorium. In feite waren het twee door metselwerk afgescheiden delen van de kapittelzaal van de Dom, die tegenwoordig als aula van de universiteit dienst doet.

Het Grootauditorium stond ter beschikking van de juridische en de theologische faculteiten. In 1644 kreeg de universiteit nog een derde auditorium, dat bovenop de kloostergang werd gebouwd. Die zogenoemde ‘Hongaarse kerk’ werd in de negentiende eeuw weer afgebroken.

Omdat de openbare voorlezingen gratis toegankelijk waren en voor de private colleges door de studenten betaald moest worden, bleek al snel dat de professoren probeerden het vervullen van deze publieke functie te ontduiken. In de achttiende eeuw werden er dan ook nog maar weinig openbare voorlezingen gegeven. Van groter belang voor het onderwijs waren daarom de private colleges die bij de hoogleraren thuis werden gegeven. Daarin werd de stof behandeld voor het examen, dat wil zeggen voor het enige examen dat bestond: het doctoraal examen. Bij de private colleges kan trouwens nog een onderscheid gemaakt worden in de gewone privaatcolleges en die in zeer kleine kring: de privatissima. Die waren ook duurder.

Ten slotte was er nóg een vorm van onderwijs: het meestal wekelijkse disputeercollege, waarin de studenten onder leiding van de hoogleraar debatteerden over opgegeven stellingen of over verhandelingen. Die verhandelingen waren vaak geschreven door de hoogleraar zelf. Omdat een reeks van deze verhandelingen samen een overzicht gaf van de stof voor het examen, werden ze soms uitgegeven als handboek. Ook de stellingen werden wel uitgegeven, zoals bijvoorbeeld de 536 Theses juris controversi, die Cornelis van Eck (hoogleraar Romeins en hedendaags recht van 1693 tot 1732) in 1694 het licht liet zien en die nog in 1775 in Leiden herdrukt werden.

De colleges, ook de disputeercolleges, werden in het Latijn gehouden. Dat suggereert alles bij elkaar een grote geleerdheid, maar er was ook wel kritiek te beluisteren op het onderwijs van de professoren. Het disputeren ontaardde vaak in ‘reden-kavelende en verschilverhandelende’ exercities. Zo formuleerde althans de zeventiende-eeuwse Anna Maria van Schurman het, die als vrouw achter een scherm de theologische disputaties bijwoonde. De kritiek kwam ook wel van binnenuit. De genoemde Van Eck hield in 1693 bij zijn overgang van Franeker naar Utrecht zijn inaugurele rede zelfs over de methode van het rechtenonderwijs. Nu was Van Eck misschien wel een uitzondering omdat hij bijzonder geporteerd was voor het onderwijs. Behalve zijn stellingenboek zou zijn Principia juris civilis secundum ordinem Digestorum (De grondbeginselen van het privaatrecht uiteengezet aan de hand van de digesten) uit 1689 over de pandecten of digesten een lange onderwijscarrière krijgen. Tot in de negentiende eeuw zou het gebruikt worden als ‘het compendium van Van Eck’.

Nu was daar wel een probleem mee, een probleem waarvoor Van Eck al in zijn oratie waarschuwde. Het risico voor het onderwijs in de rechten was namelijk dat het een steriel compendiumstudie zou worden. Daarmee was Van Eck eigenlijk al een vroeg voorbeeld van een discussie die later – eigenlijk tot in de twintigste eeuw – vaak gevoerd zou worden: hoe kan de rechtenstudie gekoppeld worden aan de praktijk? Toch moeten we oppassen Van Eck niet al te moderne woorden in de mond te leggen. Voor veel juristen in de zeventiende en achttiende eeuw was het niets bijzonders dat de studie los stond van een directe toepassing. Die toepassing zou vanzelf wel komen, zo meenden velen.

Eén uitzondering moet toch genoemd worden: Christian Heinrich Trotz, hoogleraar in Utrecht in onder meer het burgerlijk recht van 1755 tot 1773. Van hem mochten studenten kiezen in welke taal zij zouden disputeren: in het Latijn of in het Nederlands. Hij vond het niet meer dan normaal dat een student in het Nederlands kon disputeren omdat de wetten van het land immers ook in die taal waren geschreven en een advocaat toch ook niet in het Latijn zijn pleidooien hield! Trotz was trouwens toch een bijzondere figuur, zoals we kunnen lezen in de brieven en memoranda van de Schotse student James Boswell, de later beroemd geworden auteur van de biografie van Johnson. Tussen zijn verliefdheden voor de bekoorlijke jonge weduwe Geelvinck en Belle van Zuylen door liep hij colleges bij Trotz. ‘Hy is een Regtsgeleerde excellent, hebbende een diepzinnige kennisse van het historie en het Philosophie. Hy is zeer leevendig en hy veel vertellingen onderhouden in zynen lessen vermengen’, schreef Boswell over hem in een aandoenlijk Nederlands thema. Trotz ontving de student Boswell buiten de collegetijden, ook op zondag, om hem te interesseren voor een vertaalproject van een boek over het Schotse recht.

Studenten
Alleen via een omweg kunnen we erachter komen – en dan nog slechts bij benadering – hoeveel studenten er gedurende het Anciem Régime hebben gestudeerd aan de Utrechtse universiteit. Het Album Studiosorum, waarin de studenten moesten worden ingeschreven, is buitengewoon onvolledig en derhalve onbruikbaar. Dat geldt trouwens ook voor de andere universiteiten, al werden daar meestal te veel studenten ingeschreven en in Utrecht te weinig. Dat had te maken met de privileges die studenten kregen bij hun inschrijving, waaronder een gedeeltelijke vrijstelling van de accijns op wijn en bier. In Utrecht bleek al snel dat de kosten daarvoor wel erg hoog opliepen. De accijnsvrijdom heeft daarom slechts geduurd van 1644 tot 1657. Met name het jaar van de afschaffing laat goed zien hoe de inschrijvingen tot stand kwamen. In een jaar tijd liep het aantal ingeschreven studenten terug van 202 naar 16! Elders bleven deze privileges wel bestaan, maar daar bleef ook het aantal inschrijvingen hoger dan het werkelijk aantal studerenden.

Omdat de inschrijvingscijfers notoir onbetrouwbaar zijn, wordt wel geprobeerd het aantal studenten af te leiden uit het aantal promoties. Dat is voor sommige faculteiten weer beter mogelijk dan voor andere. Theologen bijvoorbeeld promoveerden niet vaak omdat zij hun studie voornamelijk waren begonnen om predikant te worden. Het predikantsexamen legden zij ook niet af aan de universiteit maar bij de classis. Duidelijk wordt in ieder geval dat ten hoogste drie- of vierhonderd studenten tegelijk aan de Utrechtse universiteit studeerden. Om een indruk te geven van de gepromoveerden: in de gehele periode 1636-1814 promoveerden in Utrecht 4991 personen (tegenover een kleine zesduizend aan de universiteit van Leiden, waarachter Utrecht op de tweede plaats kwam). Van deze gepromoveerden behaalden er 3505 een graad in de rechtsgeleerdheid en 1281 in de medicijnen.

De studie zelf bestond als te verwachten uit het lopen van verschillende soorten colleges, zoals hierboven al is aangegeven. Tentamens waren er nauwelijks. Wel waren er de disputaties en daarnaast kon de student een bewijs van de hoogleraar krijgen dat hij de colleges had gevolgd. De afsluiting van de studie bestond uit een doctoraalexamen dat uit drie onderdelen bestond. De eerste twee onderdelen betroffen een mondelinge ondervraging over verschillende gedeelten van de studiestof. Het derde gedeelte bestond uit een schriftelijk werkstuk over een opgegeven onderwerp. Van juristen werd gevraagd een wet uit de Codex en een passage uit de Pandecten uit te leggen.

Nadat de student het examen met goed gevolg had afgelegd had hij toegang tot de promotie. Daarbij kon hij kiezen uit een licentiaat of een doctoraal. Het verschil was dat het doctoraat het jus docendi (aan een academie) gaf en het licentiaat niet. De promotie bestond uit een disputatie, waarbij de keuze was tussen een publieke en een private. De eerste stond hoger aangeschreven en werd door het curatorium ook aanbevolen. Maar omdat sommige studenten – om wat voor reden dan ook – er zo tegenop zagen in het publiek op te treden dat ze wellicht daarom naar elders zouden vertrekken, werd de private promotie toegestaan. De kandidaat voor de promotie moest een disputatie schrijven en stellingen inleveren. Pas in de achttiende eeuw werd hiervoor voor het eerst de term dissertatie gebruikt. Wanneer deze disputatio inauguralis (ook wel disputatio pro gradu genoemd) met goed gevolg was verdedigd, vond de korte promotieplechtigheid plaats die bestond uit het overhandigen van de bul en het opzetten van de doctorshoed. In feite was dit voor een jurist het einde van de studie, al had hij over de rechtspraktijk nog veel te leren.

De rechtswetenschap
Wie promoveerde in de rechten kreeg als titel mee Juris Utriusque Doctor ofwel J.U.D.: doctor in de beide rechten. Dat was een overblijfsel uit de middeleeuwen dat in de protestantse landen eigenlijk niet meer van toepassing was. Met de beide rechten werd namelijk het Romeinse recht en het canonieke recht bedoeld. Dat laatste, het (rooms-katholieke) kerkrecht was nog beperkt van belang, voor het huwelijksrecht en daar waar men te maken had met ingewikkelde eigendomsverhoudingen en competenties uit een ver verleden.

Waar het in de studie in de vroegmoderne tijd vooral om ging was het Romeinse recht, gebaseerd op het Corpus Juris Civilis van keizer Julianus uit de zesde eeuw. De leeropdrachten van de professoren waren conform de drie belangrijkste delen waaruit het Corpus Juris bestond: de Instituten, de Digesten of ook wel Pandecten genoemd en de Codex. Toen de Utrechtse universiteit vanaf 1645 drie hoogleraren kreeg doceerde de jongste van hen de Instituten (wel eens als een ‘beginnershandboek’ gekenschetst). De andere twee doceerden, meestal afgewisseld, de Digesten dan wel de Codex. De hoogleraar Codex droeg ook wel de eretitel primarius, maar om geen jaloezie uit te lokken werd die titel vaak bij toerbeurt toegekend aan de hoogleraren Digesten en Codex. Vooral in de zeventiende eeuw was dit de standaardverdeling van de leeropdrachten.
Hoewel tot in de negentiende eeuw voortdurend gewezen werd op het belang van het Romeinse recht, kwam de positie daarvan gaandeweg toch onder druk te staan. Veranderende maatschappelijke omstandigheden, de bureaucratisering en het ingewikkelder worden van de samenleving bijvoorbeeld vroegen om een ander, eigentijdser recht. Enerzijds gebruikte men daarvoor een meer eigentijdse interpretatie van het Romeins recht – de zogenoemde usus modernus – en anderzijds werden leeropdrachten soms uitgebreid met de term jus hodiernum, hedendaags recht. Vaak werden de colleges in dat hedendaagse recht gegeven in de vorm van vergelijkingscolleges tussen het Romeinse en het actuele recht. Een bekend voorbeeld is een boek van Jacobus Voorda over de verschillen tussen deze beide rechten, dat in diverse universiteitsteden werd gebruikt: Differentiae iuris Romani et Belgici …(1744). Niet altijd valt in de leeropdrachten terug te lezen waarover de hoogleraren college gaven. Zo vindt men in de Codex staats-, en bestuurs- en strafrecht en in de Digesten ook strafrecht. De leeropdracht van Antonius Matthaeus II bijvoorbeeld was Digesten en Codex, maar hij hield zich in het bijzonder bezig met het strafrecht. Gedeelten uit zijn beroemde boek De Criminibus uit 1644 (gebaseerd op de boeken 47 en 48 van de Digesten) zullen hun weg wel naar zijn lessen hebben gevonden.

Hoewel dus in naam het Romeinse Recht een voorkeurspositie bleef innemen veranderde de praktijk wel. Vooral in de achttiende eeuw ontstond een duidelijk spanningsveld tussen het recht dat traditioneel aan de universiteiten werd gedoceerd – ook wel het ‘geleerde recht’ genoemd – en de rechtspraktijk. Voor een deel werd dat opgelost door het genoemde Jus hodiernum, voor een ander deel door de studie van oudere inheemse gebruiken en bepalingen: het vaderlands recht. Een specifieke vorm daarvan ontwikkelde zich in de achttiende eeuw als het vaderlands staatsrecht, dat echter door diverse regeringen met wantrouwen werd bezien. Immers, in het staatsrecht werden vragen gesteld aangaande machtsaanspraken met vorsten en elites en de inrichting van de staat. In Utrecht doceerden Trotz en Pieter Bondam (1773-1800) deze vorm van het recht als onder meer professor juris feudalis.

Ten slotte kwam in de achttiende eeuw ook het natuurrecht in zwang, dat vaak werd gedoceerd aan de hand van een van Nederlands grootste rechtsgeleerden, die trouwens nooit hoogleraar geweest is aan enige universiteit: Hugo de Groot. Hoewel het vak ook in Utrecht gedoceerd is – het werd als gevolg van de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 vervangen door de rechtsfilosofie – heeft het natuurrecht vooral in Groningen gebloeid.

Naar een nieuw bestel
Het grootste succes van de Utrechtse universiteit – gemeten aan het aantal studenten en promoties en de aantrekkingskracht voor buitenlanders – werd behaald in de decennia rond 1700. In de loop van de achttiende eeuw volgde Utrecht het Europese patroon met afnemende studentenaantallen. Wetenschappelijk gezien liet de achttiende eeuw echter wel een aantal belangrijke vernieuwingen zien. De discussies die in de eeuw daarvoor waren gevoerd rond de rationele filosofie van Descartes, materialiseerde nu in nieuwe opvattingen over de beoefening van de wetenschap. Wat de rechtzinnige Voetius nog gedeeltelijk had kunnen tegenhouden, werd nu langzaamaan in bredere kring geaccepteerd. Het geloof in openbaring en in het gezag van de Bijbel nam af ten gunste van meer empirische denkwijzen. Zelfs in de succesvolle, orthodoxe, Utrechtse theologische faculteit ontstonden aan het eind van de achttiende eeuw discussies over de vraag hoe de bijbel gelezen moest worden. Zo kreeg de hoogleraar Jodocus Heringa het aan de stok met zijn collega-theologen omdat hij wees op het belang van de bijbelkritiek. In de natuurwetenschappen werd de proefondervindelijke methode sterk gestimuleerd door het werk van Petrus van Musschenbroek en J.F. Hennert. In de literair-filosofische faculteit werd langzaam de historisch-filologische benadering van belang, in zekere zin een pendant van het onderzoek  naar het oud-vaderlandse recht bij de juristen.

De jaren rond 1800 waren vanwege de politieke situatie voor Utrecht heel moeilijk. Er waren wel meer studenten, maar die meldden zich vooral aan omdat studenten vrijstelling hadden van de militaire dienst. Het dieptepunt viel tijdens de inlijving van het land door Frankrijk. De Nederlandse universiteiten gingen deel uitmaken van de Franse Université impériale, waarbij alleen Groningen en Leiden de status van universiteit behielden. Franeker en Harderwijk werden opgeheven en Utrecht werd een aanhangsel van Leiden. Men mocht nog wel onderwijs geven, maar als école secondaire mocht men geen graden meer verlenen.

Gelukkig duurde dat niet lang en met de komst van een nieuw Nederlands staatsbestel in 1815 werd ook het hoger onderwijs op nieuwe leest geschoeid. Er zouden drie Rijksuniversiteiten komen en wel in Groningen, Utrecht en Leiden. Maar hoewel de Utrechtse universiteit daarmee uit handen raakte van de stad, bleef zij nog decennia lang nauw gelieerd aan het stadsbestuur dat ook zeer regelmatig met extra financiële bijdragen over de brug kwam of bijvoorbeeld bouwgrond ter beschikking stelde. Toen als gevolg van noodzakelijke bezuinigingen in 1848/1849 het gerucht ging dat de Utrechtse universiteit opgeheven zou worden, tekenden meer dan 5500 inwoners een petitie aan de koning, waarin zij nauwe band tussen stad en universiteit beklemtoonden.

Hoewel de universiteit uiteindelijk beter af was bij het Rijk dan alleen van de stad afhankelijk te zijn, betekende da niet dat haar kostje was gekocht. Bedreigingen bleven er voortdurend. Niet alleen in 1848 gingen er geruchten dat de Universiteit zou worden opgeheven, maar ook in 1828, 1840 en in de jaren 1880. Met name in de laatstgenoemde periode werd er in de Tweede Kamer openlijk gedebatteerd over de opheffing van een rijksuniversiteit, vooral vanwege het feit dat het Amsterdamse Athenaeum Illustre in 1877 universiteit was geworden en er ook een protestantse Vrije Universiteit was opgericht. Mede om opheffing te voorkomen werd daarom in 1886 – bij het 250-jarige bestaan van de universiteit – door de Utrechtse burgerij en het gemeentebestuur aan de jarige universiteit een nieuw Academiegebouw aan het Domplein cadeau gedaan. Met dat in 1894 geopende gebouw in het centrum van de stad werd aangegeven dat de Utrechtse universiteit vast geworteld was in de Utrechtse samenleving.

In het Academiegebouw bevonden zich naast faculteitskamers, waarin onder meer examens plaatsvonden, ook collegezalen. Dergelijke lokalen waren zeer welkom, want gedurende de hele negentiende eeuw waren er ruimteproblemen. Ook omdat de onderwijsruimten door de gehele stad verspreid waren, probeerde men te komen tot een concentratie rond het Domplein. Dat laatste is een illusie gebleken, met name door de toenemende behoefte van de steeds belangrijker wordende natuurwetenschappen aan laboratoria. Daardoor werd de universiteit deels naar de buitenkant van de binnenstad gedreven.

Gedurende een fors deel van de negentiende eeuw werd echter ook nog door de hoogleraren thuis college gegeven, al kon niet iedereen zich dat veroorloven. Dat kon wel de hoogleraar (van 1847 tot 1887) Romeins recht en encyclopedie baron B.J.L. de Geer van Jutphaas. Zijn collega in de staathuishoudkunde H.P.G. Quack (1868-1877) beschreef dat in zijn Herinneringen als volgt: ‘Men kwam in die collegekamer, achter zijn groot huis op de Nieuwegracht door een lang, smal, bochtig gangetje van de Heerenstraat uit. De studenten zagen hem dán, met zijn boeken onder den arm (…) in zonderling zwaaiende tred door den tuin aankomen. Zijn hoed wierp hij achteloos op den grond, hij beklom zijn katheder en begon zijn college in het Latijn uiteen te zetten’.

Maar met het toenemen van het aantal studenten kon dat op den duur sowieso niet meer. Studeerden er rond 1820 nog zo’n tweehonderd studenten, in 1850 waren dat er al ruim 400, waarvan 181 juristen. In 1900 telde Utrecht 802 studenten, waarvan 97 rechten studeerden, terwijl die cijfers in 1938 respectievelijk 2987 en 361 waren. Utrecht was toen de grootste universiteit geworden. Dat gold echter niet voor de rechtenfaculteit, die in omvang de mindere was van Leiden (671). Een belangrijke verandering betrof niet alleen het getal, maar ook de samenstelling van de studenten. Hoewel er vooralsnog geen cijfers van zijn, staat vast dat sinds de late negentiende eeuw bredere maatschappelijke lagen van de bevolking toegang hadden gekregen tot de universiteit. Wel moet daarbij bedacht worden dat in Utrecht ‘de zonen des volks’ traditioneel altijd een grote plaats hadden ingenomen en wel in de theologische faculteit. Voor studie in deze grootste faculteit (er waren gedurende de negentiende eeuw jaren dat 70% van alle Nederlandse theologen in Utrecht studeerde!) waren altijd veel beurzen beschikbaar. Dat veranderde na de eeuwwisseling: in 1913 studeerden voor het eerst meer juristen dan theologen in Utrecht. Een opvallende verandering was ook dat in 1938 inmiddels 20% van de rechtenstudenten uit vrouwen bestond. Het aantal hoogleraren was in de periode tot de Tweede Wereldoorlog toegenomen van drie tot acht.

Met het massaler worden van het onderwijs in de loop van de negentiende eeuw, het langzaam mondiger worden van de studenten – er ontstond in de negentiende eeuw een echte studentenpers waarin colleges van hoogleraren werden ‘gerecenseerd’ – en de verdergaande juridisering van de samenleving, begon ook de kritiek op het juridisch onderwijs toe te nemen. Studenten namen niet langer genoegen met het dictaatonderwijs, precies zoals men in de achttiende eeuw op den duur het compendiumonderwijs begon te verwerpen. Het uit het hoofd leren van grote hoeveelheden studiestof schiep ook ruimte voor een grote schare repetitoren die studenten klaarstoomden voor het examen. De rechtenstudie – die toch al een reputatie had als een weinig wetenschappelijke ‘broodstudie’, hetgeen nog eens bevestigd werd door de mogelijkheid (tot 1921) om op stellingen te promoveren – kwam dan ook aan het eind van de negentiende eeuw onder vuur te liggen. Wat studenten misten – een oude klacht – was aansluiting bij de juridische praktijk en bij maatschappelijke ontwikkelingen. Dat die aansluiting er niet was, is op zichzelf vreemd. Immers, in de negentiende eeuw bemoeide de overheid zich meer en meer met het hoger onderwijs en vooral ook met wettelijke regelingen omtrent de zogenaamde effectus civilis van academische graden. Zo promoveerde men in de negentiende eeuw lange tijd tot doctor juris Romani et bodierni, de titel die toegang gaf tot uitoefening van een functie in de rechterlijke macht en de advocatuur. Nog sterker is dit proces waarneembaar in de medische wetenschap, waar de artsenwetten van 1865 belangrijke regelingen gaven.

Ook kon het niet liggen aan de wereldvreemdheid van de hoogleraren. Anders dan wel eens is voorgesteld, is de universiteit géén ivoren toren geweest waarin louter geleerdheid bestond zonder contact met de buitenwereld. Zo stonden ook de Utrechtse hoogleraren in de rechtsgeleerdheid midden in de samenleving. De hoogleraar natuurvolken-, staats- en strafrecht G.W. Vreede (1841-1878) schreef zich bijvoorbeeld de vingers blauw in kranten en tijdschriften over maatschappelijke kwesties. De al genoemde Quack kwam uit het bedrijfsleven en gaf zijn professoraat op om secretaris van de Nederlandsche Bank te worden. De Geer stond door het beheer van zijn familiebezittingen midden in het leven en was lid van talloze gremia, waaronder de Tweede Kamer. De econoom J.C.F. d’Aulnis de Bourouill (1878-1917) zat in de Utrechtse gemeenteraad en W.L.P.A. Molengraaff (handelsrecht 1885-1917) was een bekende figuur in de Vrijzinnig-democratische Bond. De studenten stemden wat hun voorkeur voor het onderwijs betrof echter met de voeten. De colleges van de verder niet bijster populaire d’Aulnis liepen alleen vol als hij over zijn boek Het hedendaagsche socialisme doceerde (een richting die hij overigens afkeurde).

Toch duurde het tot na de eeuwwisseling voordat er geprobeerd werd het onderwijs werkelijk aan te laten sluiten bij de juridische praktijk. Van Molengraaff bijvoorbeeld is bekend dat hij in zijn colleges praktijkgevallen behandelde. Rond 1900 ontstond ook het idee dat er in de alfagamma sector iets geschapen zou moeten worden naar analogie van de laboratoria en klinieken in de bètamedische faculteiten. In de Utrechtse letterenfaculteit gaf de Duitse mediëvist Otto Opperman daarvan een voorbeeld door de introductie van zijn uit eigen land meegebrachte Seminar, waarin studenten zich onder leiding van de hoogleraar bezighielden met bronnenkritiek. In 1907 was de kunsthistoricus Vogelsang hem gevolgd en na enige jaren werden voor verschillende vakken ‘leeszalen’ en instituten opgericht. Dit alles was bedoeld om een ‘gebrek aan voeling tusschen docent en leerling’ op te heffen. In de rechtenfaculteit liet om dezelfde reden de strafrechtgeleerde D. Simons (1897-1927) zijn studenten rechtbankdossiers lezen. Hij ging zelfs nog een stap verder en organiseerde voor zijn studenten bezoeken aan het Huis van Bewaring.

Nieuwe vakken
De oprichting van instituten was niet alleen een noodgreep om het onderwijs dichter bij de studenten te brengen, maar er lag meer aan ten grondslag. Het kwam ook voort uit ontwikkelingen in de wetenschap zelf, namelijk een steeds voortgaande specialisatie en differentiatie. De hoogleraren binnen een en hetzelfde vakgebied waren nog wel elkaars collegae, maar kregen vakinhoudelijk steeds minder met elkaar gemeen.

Een goed voorbeeld daarvan is de opkomst van het complex van wetenschappen die in de Duitse wereld Kameralwissenschaften worden genoemd: statistiek, staathuishoudkunde en staatkundige geschiedenis. Al in de achttiende eeuw werd in Utrecht statistiek gedoceerd door de uit Westfalen afkomstige Everardus Otto (burgerlijk recht, staatsrecht en leenrecht; 1720-1739). Statistiek moet daarbij begrepen worden als de beschrijving van het functioneren van staten, van hun middelen van bestaan en van hun geografische omstandigheden. Daaruit is in de negentiende eeuw de meer kwantitatieve benadering voortgekomen.

Voor deze staatswetenschappen werd in 1815 in Utrecht een aparte leerstoel ingericht, die het eerst bezet werd door J.R. de Brueys, die in zijn leeropdracht onder meer de ‘staathuishoudkunde’ kreeg. De staathuishoudkunde is in het Utrechtse curriculum altijd aanwezig gebleven, maar ondanks het feit dat enkele eminente vertegenwoordigers van dit vakgebied aan de faculteit verbonden zijn geweest (onder meer C.A. Verrijn Stuart, 1917-1934) is het vak toch altijd een aanhangsel gebleven. Merkwaardigerwijs heeft in Utrecht de economische leerstoel zich niet, zoals elders, verzelfstandigd in een volwaardige studierichting of zelfs faculteit economische wetenschappen. Pas de inspanningen van opeenvolgende Colleges van Bestuur aan het eind van de twintigste eeuw hebben daarin iets kunnen veranderen. Sinds het jaar 2000 bestaat de opleiding ‘domeingerichte economie’.

De ontwikkelingen in de rechtswetenschap hebben sinds de negentiende eeuw als gezegd een grote vlucht genomen, met uiteraard gevolgen voor de juridische opleidingen en wetenschapsbeoefening. Het is ondoenlijk al die ontwikkelingen de revue te laten passeren, maar van een aantal daarvan moet gewag worden gemaakt omdat ze vooral de Utrechtse faculteit hebben beïnvloed.

In de eerste plaats is van belang het historisme. Dat wil zeggen dat sinds het einde van de achttiende eeuw een historiserende denkwijze van belang is geworden. Met name vanuit Duitsland heeft deze richting een Europese betekenis gekregen. Het historisme gaat ervan uit dat de wereld die de mens omringt eigenlijk alleen begrepen kan worden door haar geschiedenis te kennen. Men spreekt in dit verband wel van een historisering van het wereldbeeld die in alle sectoren van het denken sporen heeft nagelaten, ook in het recht. Vaak spreekt men over twee golven: één in het humanisme van de vroegmoderne tijd, waarin de klassieke Oudheid werd herontdekt, en één sinds de late achttiende eeuw. Uit de eerste fase van historisering is in het recht een school voortgekomen die zeker ook in Nederland haar sporen heeft nagelaten: de zogenaamde ‘elegante Hollandse school’ die het Romeinse Recht in zijn historische context wilde bestuderen en zich derhalve met de taal als instrument bezighield. In Utrecht was bijvoorbeeld de eerder genoemde Van Eck een vertegenwoordiger van deze school.

De tweede golf heeft zich voornamelijk vanuit Duitsland, de zogenoemde Historische School van Von Savigny, verbreid. Niet alleen de historische geneigdheid onder de Nederlandse juristen maakte hen daarvoor ontvankelijk, maar wat tevens meewerkte was de gerichtheid op de Duitse wetenschap tout court gedurende de negentiende eeuw. De invloed van de historische school heeft geleid tot interessante debatten en conflicten, met name waar zij in botsing kwam met een andere ontwikkeling die vooral vanuit de Franse cultuurkring tot ons kwam: de codificatiebeweging die in de napoleontische tijd Nederland voor het eerst bereikte. Immers, wanneer men ervan uitgaat dat recht een historisch verschijnsel is dat zich historisch ontwikkelt, dan is dat in strijd met de gedachte dat het recht gecodificeerd wordt. Toen in 1838 als resultaat van het codificatieproces een eigen Nederlands Burgerlijk Wetboek werd gepubliceerd, vroeg dat dan ook om een andere invulling van het juridisch onderwijs. Voor Utrecht is in dit verband opvallend dat zich daar tot in de twintigste eeuw niettemin een sterke traditie van onderzoek in het eigen inheemse recht heeft gevestigd met namen als J.A. Fruin, M.S. Pols in de negentiende, en D.G. Rengers Hora Siccama, J.Ph. de Monté VerLoren en G.C.J.J. van den Bergh in de twintigste eeuw. Daarnaast is de traditionele beoefening van het Romeinse recht blijven bestaan door J.C. Naber (die nog tot 1908 zijn colleges in het Latijn gaf), Chr. Zevenbergen en J.E. Spruit.

Naast deze historische richting is de strafrechtelijke richting interessant voor Utrecht, omdat zich daarin een vermaarde ‘Utrechtse School’ heeft gevormd. In het strafrecht is sinds de late negentiende eeuw een richting merkbaar die de positivistische of ook wel sociologische richting wordt genoemd. Deze stroming – die het begin laat zien van de invloed van de sociale wetenschappen op de rechtsgeleerdheid – heeft grote aandacht voor de oorzaken en achtergronden van menselijke vergrijpen. Sommigen vonden dat wel eens te ver gaan omdat het risico bestond dat de nadruk kwam te liggen op het begrijpen van de misdadigers en minder op de gevolgen voor het slachtoffer en de maatschappij. In Utrecht verzette M.S. Pols (1879-1897) zich tegen deze school. Pols ging, zoals veel van zijn negentiende-eeuwse collega’s, uit van de menselijke wilsvrijheid en daarmee van de zedelijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van het individu. De nieuwe richting uitte zich, zo zei hij in zijn rectorale rede in 1894 ‘in hetgeen men zou kunnen noemen, een inval der natuurwetenschappen op het gebied van het strafrecht met inlijvingslustige geestdrift’. Met name had hij het voorzien op de school van Cesare Lombroso uit Italië, die zelf uitging van een erfelijke determinatie tot misdaad, die zich uitte in bijzondere lichaamskenmerken zoals doorlopende wenkbrauwen en een laag voorhoofd.

Pols kon niet bevroeden dat een bepaalde tak van een meer sociologische benadering juist in Utrecht tot grote bloei zou komen in het Criminologisch Instituut dat in 1934 door W.P.J. Pompe werd opgericht. In dit instituut kwamen verschillende denkwijzen bij elkaar. In de eerste plaats was het een resultaat van de eerder genoemde ontwikkeling van instituten als organisatie-eenheden in de academische wereld. Een dergelijk instituut bracht leerlingen en leermeesters nauwer met elkaar in contact en studenten konden er zich bezighouden met zelfstandig, zij het begeleid, wetenschappelijk onderzoek: de laboratoriumfunctie in de alfagammawetenschappen. In de tweede plaats verenigde het instituut van Pompe verschillende disciplines: het strafrecht, de sociologie en de psychologie. In de derde plaats werd een al langer bestaande stroming van humanisering van het strafrecht tot grote bloei gebracht. Maar daarmee zijn we al in de periode na de Tweede Wereldoorlog aangeland.

Ongeremde groei
De Tweede Wereldoorlog is voor de Utrechtse universiteit niet een periode geweest om met trots op terug te kijken. Weliswaar was het aantal studenten dat de loyaliteitsverklaring aan het Duitse gezag tekende gering (nog geen dertien procent), maar de houding van het universiteitsbestuur en een belangrijk deel van de hoogleraren was op z’n minst aarzelend en soms ronduit verwerpelijk. Ook de rechten faculteit kwam in dit opzicht niet ongeschonden door de oorlog en verloor bij de zuivering in 1946 enkele hoogleraren.

Net als in de rest van de samenleving werd er in kringen van het universitaire verzet al tijdens de oorlog nagedacht over de situatie daarna. Met name zou de rol van de studenten in de universitaire gemeenschap een andere moeten zijn dan men tot dan toe gewend was. Daarnaast zou – net als in de omringende maatschappij – de verzuilde hokjesgeest opgeruimd moeten worden. De eenheid waar in de oorlog zo aan ontbroken had, zou nu vorm moeten gaan krijgen. De universiteit moest een ware Civitas Academica worden en daartoe werden onder meer een nieuw universiteitsblad – de Sol Iustitae – en een universiteitshuis aan het Lepelenburg opgericht. De universiteit ging zich bemoeien met de studentengezondheidszorg en met kamerbemiddeling en dergelijke. Belangrijk was ook om het probleem van de ‘nihilisten’ onder de studenten op te lossen: studenten (meestal uit milieus die niet tot de traditionele toeleveranciers van universitaire studenten behoorden) die niet bij een studentenvereniging waren aangesloten en wier aantal sinds 1900 gestaag was toegenomen.

Het ideaal van een echte universitaire gemeenschap werd niet bereikt. De oprichting van de nieuwe studentenvereniging Prometheus – met meer inhoudelijke doelstellingen dan de bestaande verenigingen – was geen groot succes. Al snel werden de oude posities weer ingenomen. Toch veranderde er iets. Nooit meer zou de verhouding tussen studenten en docentencorps hetzelfde zijn. Studenten waren zelfbewuster, eisten meer medezeggenschap en vooral: zij namen in aantal toe. In 1955 waren er nog zo’n 600 rechtenstudenten, in 1975 waren dat er ruim 2500 en in het jaar 2000 studeerden bijna 4000 studenten aan de rechtenfaculteit. Dat betekende niet alleen dat zij meer druk konden uitoefenen, maar ook dat er een steeds groter administratief apparaat nodig was om de groei op te vangen. Ook werd de staf uitgebreid met docenten die nog niet tot het hoogleraarschap werden toegelaten, maar waarvan ook niet duidelijk was wanneer dat wel het geval zou zijn.

Alles bij elkaar waren dit, samen met ontwikkelingen buiten de universiteit – zoals de opkomst van Nieuw Links – de ingrediënten voor het ontstaan van een roerige periode. Ook in Utrecht, zij het op geringere schaal en met wat achterstand, kraaide het oproer. En ook in Utrecht werd gedemocratiseerd en rezen na 1970  de studentenaantallen de pan uit. In enkele decennia tijd was de universiteit veranderd in een grootbedrijf, met een grote en steeds maar toenemende bureaucratie. Het had ook tot gevolg dat een groot deel van de universiteit – maar niet de rechtenfaculteit – uit de binnenstad vertrok en een plaats kreeg in de Johannapolder ofwel de Uithof.

Het is lastig om de geschiedenis van de rechtenfaculteit voor de naoorlogse periode in het kort weer te geven. Belangrijk zijn in ieder geval de internationalisering van het recht – een logisch gevolg van de politiek-maatschappelijke ontwikkelingen – en de enorme schaalvergroting op alle terreinen. Deels komt dat laatste door de al genoemde uitbreiding van het aantal studenten; deels ook door de voortgaande specialisering die iedere wetenschap kenmerkt, en dus ook de juridische. Alle bestaande specialismen bleven gedoceerd worden, al vonden er wel accentverschuivingen plaats en kwamen er nieuwe zwaartepunten. Soms was dat het gevolg van toevalligheden als de persoonlijke ontwikkeling van hoogleraren; soms was er sprake van bewuste keuzes, van het zoeken naar ‘niches’ in de markt, zoals dat in de moderne wetenschap gat die zich soms in weinig onderscheidt van het moderne zakenleven.

De organisatie van de wetenschap
Toch is het niet alleen crescendo geweest in de rechtenfaculteit. Met name in de jaren vijftig hadden sommigen het gevoel dat er veel moest gebeuren aan vernieuwing Van de opleidingen, wilden zij de concurrentie met andere beroepsgroepen aankunnen. Toen in 1953 de studentenaantallen om de rechtenstudies in heel Nederland daalden, schreef de hoogleraar L.J. Hijmans van den Bergh (1946-1971) een vlammend stuk onder de titel ‘Renovare Necesse‘ in het blad van het U-fonds. Deels kwam dat door specifieke omstandigheden, maar deels ook door wat hij noemde ‘de zuigkracht van de studies in de economie, sociologie en de politieke wetenschappen’. Hij constateerde daarbij ook dat ‘… de Nederlandse jurist de Universiteit over het algemeen minder goed gevormd, geschoold en voorbereid verlaat, dan de aan een andere faculteit afgestudeerde’.

Hijmans van den Bergh probeerde aan te geven welke precies de kwalen waren en wat volgens hem de remedie was. Het is wellicht aardig daar eens naar te kijken en vervolgens te zien wat er met zijn aanbevelingen is gebeurd. In de eerste plaats schoot volgens hem het ‘apparaat’ te kort, waarmee hij bedoelde het aantal leerstoelen en vooral ook de leeropdrachten. Hij constateerde dat er al veel was verbeterd (er waren bijvoorbeeld onder meer leerstoelen in het volkenrecht, het administratief en arbeidsrecht), maar wat hij bijvoorbeeld miste, waren afzonderlijke leeropdrachten voor het internationaal privaatrecht (hij doceerde dit vak sinds 1949 zelf naast het burgerlijk recht), het burgerlijk procesrecht, de rechtsvergelijking, het notariaat en het belastingrecht. Omdat er daarnaast te weinig personeel was voor de vakken die wél werden gegeven waren veel examens in de juridische faculteit een farce geworden. Wie in 2001 de lijst van hoogleraren van de faculteit rechtsgeleerdheid raadpleegt, ziet dat aan al zijn wensen (zij het soms in combinatievakken) en nog veel meer is voldaan: er zijn 37 gewone en daarnaast nog 16 bijzondere leerstoelen.

Een tweede probleem – ‘het allervoornaamste tekort’ – was volgens Hijmans gelegen in ‘de methode van de opleiding’. Daarmee bedoelde hij onder meer dat het onderwijs voor het grootste deel bestond uit wat hij ‘luistercolleges’ noemde, die steeds meer massa-bijeenkomsten werden. De student leerde daarin niet zelfstandig te denken en te werken en concentreerde zich te veel op het tentamen alleen. Het gevolg was een versteviging van het door hem verfoeide repetitorenstelsel. Niet alleen dat het de pest was voor de juridische opleiding, het was ook oneerlijk. Wie veel geld had kon veel besteden aan een repetitor. Oplossingen bood Hijmans ook: te rade gaan bij het Engels/Amerikaans collegesysteem en net als daar tutoren aanstellen. Die konden beter de studenten begeleiden en daarbij de hoogleraar ontlasten. Daarnaast zou het verschijnsel ‘instituut’ een belangrijke rol kunnen spelen.

Als prototype van zo’n instituut noemde hij het aan zijn eigen faculteit functionerende Instituut voor Criminologie van de strafrechtgeleerde Pompe (1928-1963) en de socioloogpsycholoog G.T. Kempe (1949-1976). Vooral het werken in kleine groepen en de mogelijkheid voor de student om zelfstandig onderzoek te doen waardeerde hij en stelde hij ten voorbeeld aan de hele faculteit. Dat hielp niet direct: het onderwijs aan de faculteit rechten – uitzonderingen daargelaten – bleef heel lang nog massaal en de klachten waren vaak niet van de lucht. Dat gold trouwens ook voor de docenten (al zijn klachten van docenten over studenten van alle tijden), die in een enquête in 1991 de gemiddelde inzet van studenten voor bijna vijftig procent als slecht tot zeer slecht beoordeelden. In de jaren negentig van de twintigste eeuw is daar wel verandering in gekomen, mede als gevolg van druk van buitenaf.

Kenmerkend voor de ontwikkeling van de wetenschappen in de periode na de Tweede Wereldoorlog zijn naast de schaalvergroting de organisatie van het wetenschappelijk bedrijf en de interdisciplinaire samenwerking. Ook de Utrechtse rechtenfaculteit is er niet aan ontkomen. Deels geeft de instituutsvorming op facultair niveau daar al voorbeelden van te zien. In de instituten (tegenwoordig: disciplinegroepen) zijn verschillende subdisciplines van de rechtswetenschap samengebracht in samenhangende onderzoeks- en onderwijsgroepen. In 2001 zijn er zes van die groepen, te weten economie, internationaal, sociaal en economisch publiekrecht (ISEP), Privaatrecht (Molengraaff instituut), het G.J. Wiarda-instituut. Dat is op zichzelf weer in verschillende secties onderverdeeld, die weer aansluiting hebben bij landelijke zogenaamde onderzoeksscholen. Een belangrijk Utrechts specialisme in dit geheel bestrijkt het terrein van de mensenrechten dat weer geaffilieerd is met allerlei andere disciplines als het volkenrecht.

Naast de organisatie in disciplinegroepen en onderzoeksinstituten neemt de rechtenfaculteit deel aan andere, interfacultaire, onderwijs- en onderzoeksinstituten en expertisecentra. Daarmee krijgt ook de interdisciplinaire wetenschappelijke samenwerking gestalte. Zo bestaat er een Centrum voor Beleid en Management, dat onder meer postacademisch onderwijs geeft in de beleidswetenschappen en een samenwerkingsverband is met de faculteit der sociale wetenschappen. Samen met de letterenfaculteit is een Centrum voor Conflictstudies opgericht. Voor een deel moeten deze centra wat de financiering betreft zichzelf bedruipen. Het lijkt allemaal erg nieuw en modern: sterk praktijkgericht, interfacultaire samenwerking en deels financiering uit de derde geldstroom. Wie echter de geschiedenis van de rechtenfaculteit bekijkt, ziet dat er niets nieuws onder de zon is. Van 1925 tot 1950 hebben in Utrecht Indologische leerstoelen bestaan, strikt genomen geen faculteit, maar vanwege de financiering door het bedrijfsleven toch ook wel de ‘oliefaculteit’ genoemd. De bedoeling was om ambtenaren op te leiden voor de koloniën die niet geïnfecteerd zouden worden met het Leidse ethische virus. Het betrof hier een samenwerkingsverband van rechtsgeleerdheid en letteren.

Epiloog
Deze institutionalisering van de juridische wetenschap is deels ingegeven door organisatorische en beheerstechnische noodzakelijkheden. Zoals gezegd is de universiteit een grootbedrijf geworden waar veel geld in omgaat, zelfs in een relatief goedkope discipline als de rechtsgeleerdheid. Ook juristen hebben tegenwoordig behoefte aan apparatuur in de vorm van computers, een uitgebreide juridische bibliotheek, grotere en kleinere onderwijsruimten en conferentiefaciliteiten. Anderzijds is er ook iets veranderd in de houding van de overheid ten opzichte van de wetenschap. De hoge organisatiegraad is namelijk ook bedoeld om bepaalde soorten onderzoek te stimuleren en te sturen. Nu is dat wel vaker het geval geweest, denk aan de overname van de universiteit van Utrecht door het Rijk na 1813. Vanaf dat moment deed de minister de voordracht voor nieuwe hoogleraren en benoemde de koning.

De verbondenheid met de wereld buiten de wetenschap is er echter altijd geweest. Zelfs de pogingen – waar dit stuk mee begon – van de hoogleraarpredikant Gisbertus Voetius (vader en grootvader van twee Utrechtse hoogleraarjuristen) om de rechtswetenschap tot een annex van de theologie te maken, getuigen van de verbondenheid van de juridische faculteit met de andere wetenschappen en met de omringende maatschappij. Voor sommigen zullen daarbij de rechtsgeleerden ‘quel-geesten van het menselijk geslachte’ zijn, voor anderen misschien een zegen. Ze staan in ieder geval al 365 jaar midden in de Utrechtse universiteit.

Beknopte literatuurlijst
G.C.J.J. van den Bergh e.a. (red.), Rechtsgeleerd Utrecht (Zutphen/Linschoten 1986)
G.C.J.J. van den Bergh, Geleerd recht. Een geschiedenis van de Europese rechtswetenschap in vogelvlucht (Deventer 2000 4e)
L.J. Dorsman(red.), Beroep op de wetenschap. Utrechtse geleerden tussen universiteit en samenleving, 1850-1940 (Utrecht 1999)
H.W. von der Dunk e.a. (red.), Tussen ivoren toren en grootbedrijf. De Utrechtse Universiteit 193-1986 (Maarssen 1986)
W.Th.M. Frijhoff, La société néerlandaise et ses gradués, 1575-1814 (Amsterdam1981)
H. Jamin, Kennis als opdracht. De Universiteit Utrecht 1636-2001 (Utrecht 2001)
G.W. Kernkamp, Acta et decreta senatus, vroedschapresolutiën en andere bescheiden betreffende de Utrechtsche academie, 3 dln. (Utrecht 1936-1940)
H. de Ridder-Symoens (red.), A history of the university in Europe. Vol. II: Universities in early modern Europe (1500-1800) (Cambridge 1996)
B. Theunissen (red.), De universiteit en de stad 1800-2000. Themanummer van GEWINA, jrg. 24 (2001)
T.J. Veen en P.C. Kop (red.),  Zestig juristen. Bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap (Zwolle 1987)
Verschillende artikelen van M. Ahsmann, C.J.H. Jansen en R. Welten in het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, het Documentatieblad 18e eeuw, en het Nederlands Juristen Blad

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 7 + 17 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Articles

  • Rozenberg Quarterly Categories