The Kingdom Of The Netherlands In The Caribbean. De ‘reinvention’ Van Het Koninkrijk

Caribisch Nederland Kinder postzegel 2012Inleiding
Binnen het Koninkrijk is er al een halve eeuw sprake van een LAT-relatie.[i] Onze partner Nederland bevindt zich meer dan negen uur vliegen hier vandaan. De liefde binnen zo’n LAT-relatie loopt het risico om natuurlijk naarmate de tijd vordert te bekoelen. Zeker als er binnen de relatie al vanaf het begin vooral sprake was van wantrouwen en onbegrip.
Het is overigens de vraag of in het begin, nu dus een halve eeuw geleden, bij onze Nederlandse partner de noodzaak bestond om voortaan, zoals de Preambule van het Statuut het zo fraai formuleert, samen met ons ‘op voet van gelijkwaardigheid de gemeenschappelijke belangen (te) verzorgen’.[ii] Waren er overigens wel ‘gemeenschappelijke belangen’, die wij samen zouden kunnen gaan verzorgen? J.H.A. Logemann, die in wisselende hoedanigheden heeft geparticipeerd in het hele proces van totstandkoming van het Statuut, was heel stellig. Volgens hem bestonden er geen gemeenschappelijke belangen. ‘Ik heb al vele malen ook in dit blad (7 en 14 januari 1950) betoogd, dat dit niet het geval is. De drie landen liggen te wijd uiteen, in politiek, economisch en cultureel verschillend milieu; zij bergen te wijd verscheiden bevolkingen. De eenheid van het Koninkrijk berust niet op het feit, dat zijn burgers in een gemeenschap zijn verenigd. De objectieve factoren ontbreken en het wordt ook niet als zodanig gevoeld, noch overzee noch in Nederland’, aldus Logemann.[iii] En toch vond hij dat de rijksdelen bij elkaar moesten blijven.[iv] Hoe dan ook, na samen een halve eeuw meer leed dan liefde te hebben gedeeld blijkt dat meeste Nederlanders geen heil zien in de voortzetting van onze huidige LAT-relatie.[v]

Percepties en realiteiten
De meeste Nederlanders willen dus van ons af. Maar wij willen in het Koninkrijk blijven. Wij denken dat wij met het Statuut een nevengeschikte en gelijkwaardige positie in het Koninkrijk hebben verkregen. En in onze perceptie willen de Nederlanders helemaal niet van ons af. Integendeel, wat zij willen is het Statuut opzij zetten zodat zij ons opnieuw kunnen koloniseren en weer, net als in de tijd van voor het Statuut, de baas over ons spelen. Wij trekken dan ook voortdurend ten strijde om onze gelijkwaardigheid en nevenschikking binnen het Koninkrijk te verdedigen en om respect voor het Statuut te eisen. Wij hebben een diep wantrouwen tegen Nederland en zijn voortdurend op onze qui vive. Want Nederland komt telkens met nieuwe listen om het Statuut uit te hollen. Nu willen ze ons nota bene ultraperifeer gebied van Europa maken zodat wij provincie van Nederland worden en zij dus opnieuw de baas kunnen spelen.[vi]

Terug naar de realiteit. Dezelfde Logemann die meende dat er geen ‘gemeenschappelijke belangen’ waren, was niet erg onder de indruk van wat wij uiteindelijk hadden bereikt in de jarenlange Statuuts onderhandelingen met Nederland. En Logemann kon dat goed beoordelen. Hij kon het eindproduct van de onderhandelingen, het Statuut van 1954, vergelijken met de in 1948 tussen de Koninkrijkspartners overeengekomen ontwerp-Rijksgrondwet voor het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Daar was hij één van de redacteuren van geweest.
Logemann kon kort nadat overeenstemming was bereikt over het Statuut op een internationaal congres van dekolonisatiedeskundigen meedelen: The surprising result is that Surinam and the Antilles have contented themselves with little more than a consultative role.[vii] Logemann wist waarover hij sprak en hij had gelijk. Het Statuut heeft in tegenstelling tot de ontwerp-Rijksgrondwet van 1948 een strikt hiërarchisch systeem geschapen waarin Nederland een staatkundig dominante positie bekleedt en wij een ondergeschikte positie.[viii] Read more

Bookmark and Share

The Kingdom Of The Netherlands In The Caribbean. 50 Jaar Statuut en verder

caribischInleiding
We vieren vandaag de 50e verjaardag van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden[i]. In de aanloop naar die viering zijn symposia gehouden en talloze lezingen gegeven. Ook hier in de aula van de UNA. In dat verband is dit de zoveelste lezing en het is bijna onmogelijk om nog iets nieuws toe te voegen aan alles wat al gezegd is. Bovendien is niet alleen in de laatste weken veel gezegd over het Statuut en de Koninkrijksrelaties; dat wordt al 50 jaar gedaan. We kennen over het algemeen de beelden en de opvattingen.

In een poging aan dat alles nog iets toe te voegen kies ik twee invalshoeken. De ene is die van de historische beeldvorming en de andere is die van de in de discussie over het Statuut gebruikte begrippen. Beide problemen zijn belangrijk, omdat ze ons beeld van het Statuut en de koninkrijksrelaties bepalen. Beide zijn ook problematisch.

Bewustzijn van het heden is onmogelijk zonder besef van het verleden. Dat verleden bestaat vaak in mentale beelden, waarin we gevangen zitten. Daardoor worden we ook tot slachtoffer van ons verleden, gevangen in de voorstelling van onze vaak tot elke prijs gekoesterde beelden. Bevrijding uit die beelden is dan nodig om het heden beter te kunnen begrijpen. Niemand is slachtoffer van het verleden, velen zijn wel het slachtoffer van hun eigen beelden van het verleden. In onze tijd wordt langzamerhand, maar aanzienlijk méér dan 50 jaar geleden, duidelijk hoezeer de officiële versie van de geschiedenis van de mensheid een gemáákte geschiedenis is, vaak ver bezijden de complexe waarheid over wat werkelijk is gebeurd. Het is ‘een open deur’ om te beweren dat de geschiedenis meestal geschreven is vanuit het perspectief van de overwinnaar, vaak vergezeld van de om gehoor vragende alternatieve versie van de slachtoffers, waardoor allerlei zwart-wit beelden zijn ontstaan, die vooral dienst moeten doen om de eigen actuele positie te rechtvaardigen. Het zal nog aanzienlijk meer moeite kosten om de werkelijkheid van de geschiedenis te achterhalen dan mogelijk is in de obligate discussies tussen winnaars en slachtoffers, of tussen de nazaten van kolonisten en die van slaven. In die zin is de geschiedenis van kolonisatie en dekolonisatie, maar ook die van de slavernij en de emancipatie nog bij lange na niet geschreven. De mogelijkheid om die wél te schrijven vergt in elk geval het vermogen om de eigen identificatie met de voorstellingen van het ene of het andere standpunt los te laten. Voor de werking van het 50 jaar geleden overeengekomen Statuut is dat punt nog lang niet bereikt. Integendeel, het Statuut lijkt na 50 jaar meer dan ooit nog de meetlat te zijn aan de hand waarvan het eigen historische gelijk wordt geïllustreerd.

Hetzelfde geldt voor de begrippen die we gebruiken om bewustzijn van een stand van zaken te krijgen. Die begrippen zijn meestal onzuiver. Dat is voor een deel het gevolg van het heersende rationalisme in de wetenschap. Dat rationalisme sluit ons door de eigen aard ervan op in subjectieve, onzuivere begrippen, waar de werkelijkheid dan achter schuil gaat. Ook dat is bij het Statuut in hoge mate het geval. We hanteren de begrippen van staat, vrijheid, gelijkheid en samenwerking alsof die een vanzelfsprekende inhoud hebben. De werkelijkheid is vaak heel anders. Om dat te kunnen zien, moeten die begrippen steeds weer opnieuw worden doordacht. Het Statuut beantwoordt in die zin aan de mogelijkheden en onmogelijkheden van het geldende rechtsbewustzijn. In algemene zin is dat het rechtsbewustzijn van de zich ontwikkelende rechtsstaat. Voor velen is de rechtsstaat de meest ideale vorm, waarin een politieke gemeenschap kan bestaan. Er is echter veel meer voor te zeggen om de rechtsstaat te beschouwen als een juridisch ‘doorgangshuis’, waarvan het begrip wordt bepaald, en begrensd, door de beperkte bewustzijnsmogelijkheden van het heersende wetenschappelijk rationalisme, dat de wereld maakt tot een met het ego van de mensen verbonden mentale constructie.[ii] Het Statuut, waarin rechtsculturen met een geheel verschillende beleving van politieke moraliteit, begripsmatig met elkaar worden verbonden is er, ook nu meer dan ooit, het levendige bewijs van. Dezelfde regels worden door de één als politieke autonomie en door de ander als bewijs van neokoloniale intenties opgevat. Meer bewijs voor de stelling dat de begrippen van de rechtsstaat subjectief en onzuiver zijn, lijkt nauwelijks denkbaar. Maar ook hier geldt dat vooruitgang slechts kan worden geboekt in die mate waarin men bereid is de identificatie van het eigen zelf met de quasi rationele constructies van het geldende recht te doorzien en los te laten.

Dat zijn de twee met elkaar samenhangende hoofdproblemen van vandaag, ook voor een behandeling van de Koninkrijksrelaties en voor de problematiek van 50 jaar Statuut. Het eerste, dat van de subjectieve beelden van de geschiedenis, is nog het eenvoudigste. Niet omdat het opbouwen van een waar beeld van de geschiedenis eenvoudig zou zijn, maar omdat het verzet daartegen vooral emotioneel is. Het tweede, dat van de ontoereikendheid van wetenschappelijke begrippen en theorieën, is het moeilijkste. Dat komt omdat als gevolg van de aangeduide ontwikkeling vaak het bewustzijn ontbreekt voor het begrip ervan[iii]. Waar men bij het eerste probleem vooral stuit op emoties, stuit men bij het tweede probleem vaak op de blinde vlek van het onbegrip, in de wetenschap niet minder dan daarbuiten.

Beide problemen zijn ook complementair: door de rationalisatie in het denken raakt in de beleving van de mensen het belang van de geschiedenis op de achtergrond. Op middelbare scholen kan men het vak ‘laten vallen’ en de universiteiten beschouwen de studie van de geschiedenis van de afzonderlijke vakgebieden vooral als de franje van de opleiding. Door gebrekkige beleving van de geschiedenis verdwijnt vervolgens ook hoe langer hoe meer de mogelijkheid de werking van allerlei begrippen te achterhalen. De wereld wordt er één van modellen en protocollen. Alles wordt hetzelfde, in een eindeloze herhaling van eenmaal ingenomen standpunten.

Met deze opmerkingen in het achterhoofd wil ik toch iets zeggen over 50 jaar Statuut. Om te beginnen een korte terugblik naar de koloniale verhoudingen en de overgang naar de hedendaagse statutaire verhoudingen binnen het Koninkrijk. Vervolgens een enkele opmerking over de juridische problematiek van het Statuut. Daarna wat over de mogelijkheden van vandaag, waarbij ik graag wat kwijt wil over economische ontwikkelingsmodellen. Ten slotte moet er dan nog aandacht zijn voor de toekomst: 50 jaar Statuut, en hoe nu verder? Read more

Bookmark and Share

The Kingdom Of The Netherlands In The Caribbean. Constitutional In-Betweenity: Reforming The Kingdom Of The Netherlands In The Caribbean

antillenThe Kingdom of the Netherlands is an ambiguous construction that served a useful purpose in the 1950s by accommodating the desire for autonomy in the Caribbean territories within a structure that still appeared to uphold Dutch sovereignty, while also silencing international demands for decolonisation [i]. Since the 1960s, dissatisfaction with the structure has been mounting. In many similar situations the mounting tensions were relieved by the drastic move of declaring the independence of the overseas territories. In the case of the Netherlands Antilles and Aruba a conscious decision was made not to sever the ties. Since then, it has often been stated (mainly in the Netherlands) that the constitution of the Kingdom is outdated, but nothing came of the various attempts at modernisation.[ii] Currently a new attempt is being made, which will perhaps involve a redesign of a number of key elements of the Kingdom structure.
Since 1981 it has been recognized by the governments of the Countries and the island territories that the populations of the islands have the right to self-determination. This right should play a prominent role in any process of constitutional reform of the Kingdom, it has often been repeated. Reference is also often made to the law of decolonization as developed at the United Nations, although difference of opinion exists on what this means for the Kingdom relations.[iii] While the law provides no readymade solutions to the constitutional problems of the Kingdom, it does contain some principles that should guide the restructuring of the Kingdom.

The constitutional character of the Kingdom
The constitutional reform of the Kingdom that has been on the cards for several decades now, has been made more difficult by the persistent differences of opinion on the legal character of the relations between the Netherlands and the Netherlands Antilles and Aruba. Some view the Kingdom as a confederation or some other very loose form of entirely voluntary cooperation between the Netherlands and two semi-independent states. Others see the Kingdom as a fully-fledged state with its own powers and responsibilities. Both views have their merits, because the Kingdom is an example of constitutional in-betweenity[iv] that defies classification in any of the traditional models of statehood.
The Kingdom consists of three equivalent Countries (Landen in Dutch). The two Caribbean Countries ‘Aruba and the Netherlands Antilles’ have a large amount of autonomy, even larger than the Country in Europe some would say, because that Country has delegated many of its authorities to the European Union. The constitution of the Kingdom, entitled Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (the Charter for the Kingdom of the Netherlands), authorizes the government of the Kingdom to enter into relations with foreign states, and also charges the government with the ultimate responsibility in the areas of human rights, good government and the military defence of the Kingdom. The Kingdom government has few other tasks. Whether the Kingdom has any other institutions or organs has been the subject of a legal debate, which is probably of little importance because most of the other tasks of the Kingdom are performed by the Country of the Netherlands. The Kingdom Charter contains some elements that resemble a federal system[v], but these elements have played only a minor role in practice.
It has sometimes been defended that the Country in Europe is a state under international law,[vi] but it is generally assumed that only the Kingdom as a whole possesses statehood. Writers on international law nonetheless often classify the Kingdom as a form of association, which is also how the Netherlands defended it at the UN in 1955 and afterwards.[vii] The recognition of the right to self-determination of the Caribbean Countries at the Round Table Conference of 1961, confirmed many times thereafter, also suggests that the Netherlands Antilles and Aruba have a separate legal status that could perhaps best be described as a constitutional association with the Netherlands. This captures the somewhat paradoxical position of the Caribbean Countries – belonging to the Kingdom, but not belonging to the Netherlands – which seems to have been the aim of the framers of the Charter in 1954. Read more

Bookmark and Share

The Kingdom Of The Netherlands In The Caribbean. Suriname 1954 – 2004: Kroniek van een illusie

surklederdrachtDe weg naar onafhankelijkheid
Het Statuut voor het Koninkrijk van 1954 bepaalde dat de kolonie Suriname een autonoom deel van het Koninkrijk der Nederlanden werd onder een eigen, democratisch gekozen regering. Eenentwintig jaar later, in 1975, werd Suriname een onafhankelijke republiek [i]. De politieke stabiliteit van Suriname berustte van 1958 tot 1967 op de samenwerking tussen de Creoolse partijen NPS en PSV en de Hindostaanse VHP. Na de algemene verkiezingen van 1967 kwam het tot een breuk tussen de NPS en de VHP en regeerde Pengel verder zonder de VHP. Het nieuwe kabinet Pengel kreeg al snel problemen met de grote maatschappelijke organisaties. Steen des aanstoots was de corruptie, de verkwisting van overheidsgelden en het patronagestelsel. De ontevredenheid vond een hoogtepunt in een massale staking van de onderwijsbonden in 1969.Het kabinet viel en het zakenkabinet Sedney schreef in hetzelfde jaar nieuwe verkiezingen uit. De VHP werd de grootste partij en vormde met enkele kleinere Javaanse partijen een nieuw kabinet, dus nu werd de NPS uitgesloten.

In de regeringsverklaring van 1969 kwam uitdrukkelijk te staan dat de regering geen prioriteit zou verlenen aan een staatkundige zelfstandigheid. Als reactie daarop maakten de Creoolse partijen de onafhankelijkheid tot een nationaal discussiethema. De dood van Pengel in 1970 en de overname van de macht binnen de NPS door een nieuwe generatie links-nationalistische leiders maakten in 1973 de weg vrij voor een coalitie tussen deze partij en de nationalistische PNR van Bruma. De PNR had daarbij ‘maar wel in het geheim’ bedongen dat bij een verkiezingsoverwinning de onafhankelijkheid op korte termijn moest worden afgekondigd.
De regering-Arron die in 1973, na de door de PNK (een coalitie van de NPS, de PNR, de katholieke PSV en de Javaanse KTPI) gewonnen verkiezingen aantrad, vond in het Nederlandse kabinet-Den Uyl een bondgenoot voor een onafhankelijk Suriname. Op 15 februari 1974 deelde minister-president Arron mee dat Suriname ‘ultimo 1975’ een onafhankelijke republiek zou worden. De wettige Surinaamse regeringsleider had de onafhankelijkheid aangekondigd en Nederland wilde van Suriname af, dus de onafhankelijkheid kon snel bezegeld worden. De onderhandelingen over de onafhankelijkheid stonden voornamelijk in het teken van de hoogte van de ontwikkelingshulp. Nederlandse onderhandelaars waren buitengewoon toeschietelijk. Men werd het na loven en bieden eens over een schenking van 3,5 miljard (niet-geïndexeerd) en kwijtschelding van uitstaande schulden.
Meningsverschil bestond er wel over het nut van een Surinaams leger, maar omdat Suriname dit zo belangrijk vond, maakte Nederland er geen punt van. Een Surinaamse leger zou de Nederlandse Troepenmacht In Suriname (TRIS) gaan vervangen. De onderhandelaars kwamen uit op een ‘Surinamisering van de TRIS’ tot een Surinaamse Krijgsmacht (SKM) met een sterkte van 620 man met officieren en (ongeveer honderd) onderofficieren van Surinaamse afkomst die in het Nederlandse leger dienden, op basis van gulle suppletie-, salaris- en kinderbijslagregelingen.[ii] Aan de ambassade van Nederland in Paramaribo werd een Nederlandse militaire missie (van zeven personen) verbonden om Suriname te helpen bij de opbouw van de Strijdmacht. Leider van deze missie werd kolonel Valk.
De Hindostaanse bevolkingsgroep was fel gekant tegen de onafhankelijkheid. Uiteindelijk ging de Hindostaanse oppositie pas overstag nadat de VHP parlementariër Hindorie meestemde met de NPK. Zo bleek één stem de onafhankelijkheid te bezegelen. Even vóór 25 november 1975, de dag van de onafhankelijkheid van de republiek Suriname, verzoenden Arron en Lachmon zich in het publiek. Gouverneur Ferrier werd president Ferrier. Suriname werd daarmee een zelfstandige staat, maar was beslist geen natie; het land was de optelsom van een groot aantal etnische groeperingen waartussen de politieke eenheid niet bijster groot was. Bijna honderdduizend Surinamers vertrokken in de maanden rond de onafhankelijkheid naar Nederland.[iii] In die zin zou men kunnen beweren dat Suriname, nadat het als uitkomst van onderhandelingen tussen de Nederlandse en Surinaamse politieke elite onafhankelijk was geworden zonder plebisciet, met de voeten stemde. Read more

Bookmark and Share

The Kingdom Of The Netherlands In The Caribbean. Bio Notes: Biografische gegevens van de auteurs

curacaoMr. Dr. Douwe A. A. Boersema (1948) is Associated Professor of Public Law at the University of the Netherlands Antilles at Curaçao. During 1975-2000 he lectured Constitutional Law and History of Political Philosophy at Groningen University in the Netherlands. In 1998-1999 he lectured Public Law at the University of Aruba. He studied Psychology and Law at Groningen University and got there his PhD on a thesis on the development of the consciousness of law regarding the concept of equality and human rights from Greek Antiquity up to our time. He has written articles on the development of law, human rights and judicial problems in relation to cultural diversity and minorities. He has worked as a consultant for legal problems and transition management.

Denicio Brison B.Sc. LL.M. (1952) practices law on St. Maarten, and spent the first part of his career (circa 20 years) in the hotel industry primarily on Sint Maarten and Aruba. In this field he was exposed on a daily basis to the contradictions of working in an environment that catered to well-to-do North American tastes and the realities of living in the Caribbean. His influence and outlook is different from most Antillians in that he chose never to live in nor visit the Netherlands but instead attended college in Trinidad and the U.S. where he earned a B.Sc. in Hotel Administration from the University of Nevada at Las Vegas. Later he earned a degree in Law at the University of the Netherlands Antilles. His area of interest is Constitutional and Public Law. He writes a regular newspaper column on general topics of law and is a frequent speaker on local radio on legal matters.

Mr. Antonito (Mito) Croes (1946, Aruba) is na enige jaren ambtenaar en vervolgens hoofdwetenschappelijk medewerker staatsrecht aan de Universiteit van de Nederlands Antillen te zijn geweest in de politiek gegaan. Hij meer minister van Staatkundige Structuur van de Nederlandse Antillen, Minister van Welzijnszaken van Aruba en acht jaar Gevolmachtigde Minister van Aruba in Nederland. Hij heeft diverse wetenschappelijke publicaties op zijn naam, met name over de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk en deugdelijkheid van bestuur. Hij werkt nu aan een proefschrift over toekomstopties voor het Koninkrijk.

Drs. Francio Guadeloupe (1971) works at the Anthropology and Sociology Department of the University of Amsterdam. After having lived and traveled throughout the Caribbean, he moved to the Netherlands at 18 years of age. In 1999, he obtained his Master’s degree in Anthropology/Development Studies at the Radboud University of Nijmegen. Guadeloupe has published two books on Brazil: A vida e uma dança: the Candomble Through the Lives of Two Cariocas (Nijmegen, CIDI, 1999), and Dansen om te leven: over Afro-Braziliaanse cultuur en religie (Luyten & Babar, 1999). Guadeloupe has researched how popular radio disc jockeys on the bi-national island of Saint Martin (French) & Sint Maarten (Dutch) combine Christian derived ethics and Caribbean music to forward a politics of belonging which includes autochthons as well as newcomer population. This research is the basis of his PhD thesis which he’s in the process of putting the final touches to.

Mr. drs. Steven Hillebrink (1968) worked from 1999 until 2004 at the University of Leiden, where he taught Constitutional and Administrative Law. He has published articles on Kingdom legislation and the right to self-determination of the Netherlands Antilles and Aruba. He is currently writing a PhD thesis on the role of the international right to self-determination in the relations between the Netherlands, the Netherlands Antilles and Aruba. Since 2004, he is employed at the constitutional affairs and legislation department of the Dutch ministry of the Interior and Kingdom relations.

Wim Hoogbergen (1944) is senior lecturer in Caribbean Studies, department Cultural Anthropology at Utrecht University, The Netherlands. He is managing editor of OSO, Tijdschift voor Surinamistiek, the only scientific journal on Suriname’s History, Literature, Linguistics and Anthropology. He is also managing editor of the Series Bronnen voor de Surinamistiek. He has published a number of books and articles on the Caribbean, especially on Suriname. His Ph-D thesis on the Boni-Maroons of French Guyana was translated into English (1990; The Boni-Maroon Wars in Suriname. Leiden: E.J. Brill). He himself likes most his 1996 publication Het kamp van Broos en Kaliko. De geschiedenis van een Afro-Surinaamse familie. Amsterdam: Prometheus, that will get an English version this year or next year. In collaboration with Okke ten Hove and Heinrich Helstone, he is publishing a series of books on the abolition of slavery in Suriname 1863: Surinaamse Emancipatie. Familienamen en plantages. Amsterdam/Utrecht: Rozenberg Publishers, IBS & CLACS, heeft voor de AVP verschillende politieke functies bekleed en was onder and Surinaamse Emancipatie: Paramaribo: Slaven en Eigenaren. Amsterdam/Utrecht: Rozenberg Publisher, IBS & CLACS.

Dr. Lammert de Jong (1942) served 9 years between 1985 and 1998 as resident representative of the Netherlands government in the Netherlands Antilles. Prior to this he was attached to the University of Zambia and the National Institute of Public Administration in Lusaka, Zambia (1972-1976). In the People’s Republic of Bénin, he was director of the Netherlands Development Aid Organization (1980-1984). He received a PhD in Social Sciences at the Free University, Amsterdam (1972) and published during his academic years about public administration and participation. He concluded his civil service career as Counselor to the Netherlands government on Kingdom Relations. Since then he writes and lectures as a free-lance scholar on post-colonial statehood.

Dr. Dirk Kruijt (1943) is professor of Development Studies at Utrecht University, the Netherlands. Between 1968 and 2003, he alternated between academic teaching and research, and activities as policy advisor to Latin American planning institutes and multilateral and bilateral donor agencies. He was a visiting professor at the Institute of Development Studies (IDS) at the University of Sussex, at El Colegio de Mexico, IUPERJ (Rio de Janeiro), the Instituto de Estudios Peruanos, and at the Facultad Latinoamericana de Ciencias Sociales (FLACSO) in Costa Rica, Guatemala, El Salvador and Santiago de Chile. From the mid-1990s on, he evaluated a couple of times the development relations between the Netherlands and the Netherlands Antilles, and the Netherlands and former colony Surinam. His published work is mostly about poverty and informality, war and peace, and military governments. He is the author or co-author of ca. 30 books and ca.100 articles.

Bookmark and Share

Alana Semuels ~ The Resurrection Of America’s Slums

Population

Population Living in High-Poverty Neighborhoods (in millions)

Half a century after President Lyndon B. Johnson declared a war on poverty, the number of Americans living in slums is rising at an extraordinary pace.
The number of people living in high-poverty areas—defined as census tracts where 40 percent or more of families have income levels below the federal poverty threshold—nearly doubled between 2000 and 2013, to 13.8 million from 7.2 million, according to a new analysis of census data by Paul Jargowsky, a public-policy professor at Rutgers University-Camden and a fellow at The Century Foundation. That’s the highest number of Americans living in high-poverty neighborhoods ever recorded.

The development is worrying, especially since the number of people living in high-poverty areas fell 25 percent, to 7.2 million from 9.6 million, between 1990 and 2000. Back then, concentrated poverty was declining in part because the economy was booming.

Read more: http://www.citylab.com/housing/the-resurrection-of-americas-slums

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives