High Amsterdam ~ Uitgaan en drugs tussen interbellum en jaren tachtig

No Comments yet

Foto: onbekend

Foto: onbekend

Amsterdam, dat in de tweede helft van de 19e eeuw economisch langzaam tot ontwikkeling was gekomen, kende rond 1890 een bruisend nachtleven. Dit was een gevolg van industrialisering, urbanisatie en welvaartsgroei, die haast gelijk opging met de verbeterde economische positie van de stad, waardoor ook het aanbod van vermaaksmogelijkheden veelzijdiger werd (Wevers, 2003). De inperking van het Amsterdamse nachtleven na 1890 werd in belangrijke mate veroorzaakt door de verbeten maar effectieve kruistochten van ‘morele entrepreneurs’ tegen de verderfelijke uitwassen van armoede, drank en prostitutie.[i] De stadssociologe Wevers noemt het ironisch dat de ‘morele ondernemingen’ – hoewel de nacht wel als verdacht en verwerpelijk werd beschouwd – er aanvankelijk helemaal niet op uit waren geweest het nachtleven te bestrijden. Maar de som van de afzonderlijk behaalde successen is volgens Wevers (2003:61) “het onbedoelde, maar het niet onwelgevallige verval van het Amsterdamse uitgaansleven. Dit was in de loop der jaren in toenemende mate de kop van Jut geworden waar alle onbehagen op neersloeg”.

Volgens historicus De Kort (1995) waren er in dezelfde periode zonder enige moeite talloze huis-, tuin- en keukenmiddeltjes met opium bij apotheek, drogist of kruidenier onder andere op de Zeedijk te krijgen. In dag- en weekbladen werd rond 1875 veelvuldig reclame gemaakt voor talloze specialités tegen een groot aantal kwalen. Exotische preparaten als Prof. dr. Sampson’s Cocaspiritus tegen jicht en schele hoofdpijn of de Chlorodyne van Dr. J. Collis Brown, dat bestond uit een veelheid van bedwelmende wondermiddelen als chloroform, ether, morfine en cannabis, waren vrijelijk te krijgen. Ze werden onder andere genezend geacht bij hoest, griep, astma, bronchitis, diaree, nervositeit, reumatiek en cholera. Gezien de hoeveelheid advertenties voor specialités met drugs en het belangrijke aandeel van zelfmedicatie in de 19e-eeuwse geneeskunde, moet een groot deel van de Nederlandse bevolking volgens De Kort één of andere drug hebben genuttigd.

Het Amsterdamse uitgaansleven maakt tijdens het interbellum (1919-1940) een nieuwe bloeiperiode door die vaste vorm krijgt rond het Leidseplein en Rembrandtplein. In de loop van de jaren vijftig vermengt de geur van marihuana zich in enkele kleine jazzclubs voor het eerst met het dicht op elkaar gepakte publiek, maar drugsgebruik en uitgaan raken pas vanaf de jaren zestig echt met elkaar verstrengeld. Sindsdien is het gebruik van drugs niet meer weg te denken uit de nieuwe jeugd- en muziekculturen. Na de komst van marihuana, LSD en amfetamine in de jaren zestig en de opkomst van heroïne in de jaren zeventig, beleefde Amsterdam tijdens de economische crisis van de jaren tachtig een ‘heroïnegolf’, die gelijk opging met een forse toename in het cannabisgebruik. Halverwege de jaren tachtig begint ook het gebruik van snuifcocaïne in zwang te raken. Discotheken, danscafés en grote kraakpanden gaan een steeds grotere rol spelen in het nachtleven. De komst van ecstasy en housemuziek markeert eind jaren tachtig het begin van een nieuwe periode met een nog intensiever en uitbundiger uitgaansleven.

Stadslucht maakt vrij
Amsterdam oefent van oudsher grote aantrekkingskracht op avonturiers, kunstenaars en intellectuelen. Door de eeuwen heen is de stad vanwege haar als ‘liberaal’ beschouwde klimaat een toevluchtsoord geweest voor dissidenten uit alle windstreken en haar bevolking heeft zich vaak ontvankelijk getoond voor lieden met radicale opvattingen (Roegholt, 1979). Al in de 17e eeuw werden er esoterische boeken uitgegeven die in andere landen niet gedrukt mochten worden. Amsterdam gold tevens als vluchthaven voor degenen die zich aan de beklemmende sfeer van de kleine gemeenschappen op het platteland wilden ontworstelen. In de tweede helft van de 20e eeuw werd Amsterdam vanwege haar internationale oriëntatie en ongedwongen kosmopolitische sfeer ook een inspirerend cultureel centrum voor buitenlanders, studenten en andere nieuwkomers, die de vrijheid van het ‘stadsanarchisme’ als een aanlokkelijk perspectief zagen (De Rooy, 2007).

Historici hebben in verschillende bewoordingen gewezen op de vrijheidsdrang die in het Amsterdamse volkskarakter besloten lag en “die zich tegen eenvoudige politiemaatregelen verzet” (Roegholt, 1979:328-329). Volgens de sociaal-historicus Rüter (1903) was de door en door geürbaniseerde Amsterdammer “zeer critisch, weinig leidzaam, prikkelbaar en afkerig van gezag, politiek zeer vooruitstrevend en maatschappelijk niet gauw bevredigd” (In: Roegholt, 1979:330). Opstootjes, relletjes en oproer lopen als een rode draad door de hoofdstedelijke geschiedenis; koppigheid en opstandigheid komen sinds jaar en dag in alle lagen van de bevolking voor.

Opkomst van een nieuwe uitgaanscultuur in het interbellum
Tijdens het interbellum veranderde het aanzicht van Amsterdam door de opkomst van een nieuwe uitgaanscultuur. Het Rembrandtplein en het Leidseplein werden de belangrijkste centra van het uitgaansleven, met een keur aan (muziek)cafés, theaters, restaurants, chique eetgelegenheden en bioscopen. Tijdens de dansrage van de jaren twintig grepen alerte ondernemers hun kans en openden een danstent of legden in hun restaurant een dansvloer aan (Kaal, 2007). Jazzbands traden op in cafés en conferenciers vermaakten hun gehoor met cabarets.

De opkomst en tevens ‘democratisering’ van de uitgaanscultuur baarden de gemeentelijke overheid grote zorgen. De Algemene Plaatselijke Verordening van 1916 verbood om in het openbaar – dus niet in besloten dansgelegenheden – te dansen. Voor de orgelmannen die met hun tijd mee wilden gaan door jazz te draaien, was dit verbod een domper, want zij mochten op straat geen gelegenheid tot dansen geven (Kaal, 2007). In de loop van de jaren twintig discussieerde de Amsterdamse gemeenteraad met enige regelmaat over het toenemend aantal illegale dancings. Dansstijlen als de charleston en shimmy werden als uitwassen van de moderne massacultuur gezien en zelfs soms in verband gebracht met geslachtsziekten. Tegelijkertijd werd, om oncontroleerbare misstanden te voorkomen, herhaaldelijk aangedrongen op een soepeler vergunningenbeleid. Onder druk van de gemeenteraad stond de gereformeerde burgemeester De Vlugt van de ARP (Anti-Revolutionaire Partij, later opgegaan in het CDA) met grote terughoudendheid enkele ‘afwijkingen’ van het dansverbod toe. Rond 1924 was er een handvol ‘danshuizen’ op en rond de Zeedijk gevestigd, waar overigens dansen op zondag vooralsnog verboden was (Wouters, 1999). In de bovenzaal van Mille Colonnes kon worden gedanst op een glazen vloer. De eigenaar, die jarenlang geijverd had voor opheffing van het dansverbod, was in 1924 een van de gelukkigen die een vergunning kregen. Maar nadat de politie had geconstateerd dat Mille Colonnes werd gefrequenteerd door ‘publieke vrouwen’, werd de dancing eind jaren twintig weer omgebouwd tot lunchroom (Kaal, 2007).

Volgens een rapport van de ‘Regeerings-commissie inzake het dansvraagstuk’ uit 1931 vormde het moderne (in hoofdzaak ‘Amerikaansche’) dansen een zedelijk gevaar voor de jeugd. Daarbij zetten volgens de commissie vooral ‘negers’ de toon, omdat zij de ‘grootste instinctieve levenskracht’ zouden hebben; een ‘aanstekelijk werkende levensvreugde’ was bij uitstek geschikt om een roes op te wekken (Wouters, 1999). In het mondaine uitgaansleven, dat gekenmerkt werd door erotiek, roken, drinken, filmbezoek, dansen en jazzmuziek, waren gezagsdragers vooral gespitst op de sfeer in moderne danszalen. Die gaf namelijk gemakkelijk gelegenheid tot een oppervlakkig contact waarbij man en vrouw geestelijk noch sociaal met elkaar waren verbonden. Gezagsdragers waren vooral beducht voor de zinnenprikkelende werking op meisjes die temidden van rode lampen werden blootgesteld aan ‘pornografische muziek’. Vooral ‘negermuzikanten’, die in de jaren dertig populair waren bij het publiek, zorgden voor onrust bij de autoriteiten. Amsterdam had in 1936 de landelijke primeur met de eerste ‘zwarte’ uitgaans-gelegenheid (The Negro Kit Kat Club in de Wagenstraat). Vanwege het succes van Amerikaanse jazz en dansmuziek werd de Palace op het Thorbeckeplein (nabij het Rembrandtplein) omgedoopt tot Negro-Palace. De komst van – een overigens bescheiden aantal – Surinamers, die in de jaren twintig en dertig emplooi probeerden te vinden in de horeca, was volgens hoofdcommissaris van politie Versteeg een bedreiging voor de openbare zedelijkheid. Deze ‘kleurlingen’ vormden naar zijn mening voor veel jonge meisjes een seksuele attractie (Wouters, 1999).

Als gevolg van enkele incidenten in 1936 verordonneerde de burgemeester op advies van hoofdcommissaris Versteeg een bepaling in de muziekvergunning van deze ‘negercabarets’ dat artiesten en bedienend personeel geen kleurlingen mochten zijn. De eigenaren werden onder druk gezet om de Surinamers te ontslaan. Deze ‘sexueel uitermate veel presteerende negers’ vormden immers een gevaar voor de openbare zedelijkheid (Kaal, 2007). Een jaar later werd de The Negro Kit Kat Club gesloten. Naarmate de overtuiging groeide dat het gedans niet met zedeloze praktijken gepaard ging, werd het hoofdstedelijke vergunningenbeleidallengs versoepeld. Sluitingen van andere amusementsinrichtingen bleven tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog dan ook uit.

Duitse bezetting en komst van Amerikaanse bevrijders
De kritiek op jazzmuziek en moderne Amerikaanse dansen die tijdens het interbellum de kop op stak, werd vooral gevoed door angst voor het vreemde, primitieve en erotische. Het verbod van de Duitse bezetter op jazzmuziek en swing bracht hierin verandering. De vooroorlogse morele verwijten aan het adres van jazzliefhebbers verstomden, omdat veel ouderen onder druk van de oorlogsomstandigheden en vervolgens door de rol van de Verenigde Staten als bevrijder hun bezwaren tegen de ‘primitieve ketelmuziek’, op zijn minst tijdelijk, lieten vallen. “Jazz was niet langer de muziek van een naïef en ongeciviliseerd volk, maar van overwinnaars en bevrijders. Syncopen, swing en improvisaties werden niet meer geassocieerd met dierlijk instinct en erotiek, maar stonden voor vrijheid, individualisme en vitaliteit”(Wouters 1999:377).

Omdat uitbundigheid in de oorlogsjaren passé was (de bezetter had in 1942 een algeheel dansverbod uitgevaardigd), deed zich tijdens de bevrijding een explosie voor van vreugde, dans en muziek. ‘Heel Amsterdam danst!’, rapporteerde het Parool op vrijdag 23 juni 1945 naar aanleiding van de bevrijdingsdriedaagse (Wouters, 1999). Nederlandse meisjes dansten met Amerikaanse en Canadese soldaten, die als helden werden gezien. Omdat de geallieerden na de zomer nog steeds in de stad waren, werden er tijdelijke amusementsaccommodaties (‘leave centres’) ingericht; elke militair mocht een vrouwelijke introducé meenemen. Alleen al in Amsterdam kwamen tot 1946 tweemaal per week zo’n 4.000 verlofgangers uit Duitsland.

Dansen bleek direct na de Tweede Wereldoorlog het middel bij uitstek voor contacten tussen de seksen. Het bevatte tegelijkertijd een element van escapisme, wellicht ook als vlucht uit de hectiek van de naoorlogse chaos (Mutsaers, 1998). Het Amsterdamse uitgaansleven kwam langzaam weer op gang, met dancings op en rond het Leidseplein (bijvoorbeeld Caramella en Extase) en het Rembrandtplein (zoals La Gaité, boven bioscoop Tuschinski). Deze dancings programmeerden wisselende orkesten. De populaire muziek waarmee Nederland was overspoeld na het bevrijdingsjaar, laat een mix van overwegend Amerikaanse stijlen en genres zien.

De welvaartsjeugd
Het ontstaan van de Amsterdamse drugsscene in de jaren zestig hangt nauw samen met demografische, economische en sociaal-culturele ontwikkelingen. Als gevolg van een naoorlogse geboortegolf was Amsterdam te klein om iedereen te kunnen huisvesten en tegelijkertijd voldoende leefruimte te bieden (De Rooy, 2007). De economische wederopbouw leidde tot veranderingen in de traditionele werkgelegenheid en creëerde nieuwe arbeidsplaatsen. Dankzij de doorbrekende welvaart in de jaren zestig kregen jongeren voor het eerst zakgeld om vrij te besteden. Hun hogere consumptieniveau, dat tot uitdrukking kwam in de opkomende mode- en muziekindustrie, liep synchroon met komst van een opstandige jeugdcultuur. De Amsterdamse politie wist zich niet zo goed raad met spontane volksverzamelingen en oplopen van de ‘welvaartsjeugd’ en toonde vaak een onthutsend gebrek aan humor en relativisme.

Nog voor het uitbreken van de rock-’n-roll riep de tournee van jazzmusicus Lionel Hampton in 1955 al zoveel geestdrift op, dat er een spoor van vernielingen werd aangericht. Opstandige nozems uit de Amsterdamse volksbuurten met hun nadrukkelijk verzorgd uiterlijk en ‘onbeschaafd gedrag’, begonnen zich te roeren op de binnenstedelijke Nieuwendijk, een druk uitgaanskwartier met vijf bioscopen in de directe omgeving. Het Leidseplein was een trefpunt voor de meer artistieke, ‘ongrijpbare jeugd’, bij wie marihuana en LSD de behoefte aan kicks intensiveerden. “De verleiding van het welvaartsaanbod was groter dan het tempo waarmee de nette ouders het zakgeld verhoogden” (Roegholt, 1979:310).

In hetzelfde jaar dat het woord provo werd geboren, promoveerde Buikhuizen (1965) op zijn proefschrift over de achtergronden van nozem gedrag. Daarin stelt hij dat het begrip nozem “als het ware de personificatie [is] geworden voor alles wat ons als ongewenst in de jongere generatie voorkomt” (Buikhuizen, 1965:5). Aan de hand van zijn onderzoek in ‘een typische buurtcafetaria waarvan er dertien in een dozijn gaan’, schetst de criminoloog de leefwereld van jonge Amsterdamse nozems die zich elke avond groeperen rond de jukebox of het televisietoestel. Voor iedere activiteit geldt het cafetaria als vertrek- en aankomstpunt. In het weekend zijn dat vooral dansen en bioscoopbezoek.

Het is niet ongewoon dat op een avond verschillende dansgelegenheden worden bezocht. Van stijldansen en de destijds populaire twist moeten de nozems niks hebben. Liever gaan ze ‘sexueel schuifelen’. Het gedrag van de nozems gaat altijd gepaard met het kabaal van gassende brommers, smijten met deuren en luidruchtige begroetingen. Ook plekken waar veel publiek samenkomt (zoals jazzconcerten, openluchtvoorstellingen of het strand) lokken telkens hetzelfde patroon uit van jennen, joelen, fluiten, zich opvallend gedragen en herrie schoppen. Vernielingen, zoals het omtrekken van verkeersborden, het ingooien van winkelruiten, het omtrappen van vuilnisemmers en het afbreken van antennes, zijn niet ongewoon. Voetgangers en voorbijgangers moeten zich de intimidaties vaak laten welgevallen. Passerende auto’s worden met voorwerpen bekogeld, waarbij vooral politiewagens een onweerstaanbare aantrekkingskracht hebben.

De spanning tussen de autoriteiten en het publiek bereikten in de jaren zestig langzamerhand een hoogtepunt. Met grote regelmaat waren er vechtpartijen tussen de politie en nozems, provo’s, betogers tegen de oorlog in Vietnam, et cetera. De rechterlijke macht moest vaak tenlasteleggingen afhandelen die veel weg hadden van een parodie: zingen bij het Lieverdje op het Spui, pamfletten uitdelen of ‘s nachts het verkeer ophouden. Ieder incident leek in de gevoeligheid van die dagen extra betekenis te krijgen, aldus Roegholt (1979). Wellicht de meest absurde gebeurtenis was de arrestatie van Koosje Koster die op het Spui krenten uitdeelde aan de politie. “De rechtsorde van Nederland was in haar hart getroffen door een krent”, schreef Mulisch (1970) smalend in zijn Bericht aan de rattenkoning.

Foto Cor Jaring ~ Robert Jasper Grootveld. Spui, Lieverdje

Foto Cor Jaring ~ Robert Jasper Grootveld. Spui, Lieverdje

Dichter en schrijver Simon Vinkenoog voelde goed aan dat wat er in Amsterdam gaande was, ook op veel andere plaatsen in de wereld gebeurde. Hij beschouwde het als een natuurlijk gegeven dat “een jeugd haar eigen speelruimte verovert, zonder in de allereerste plaats het boekje met politieverordeningen bij de hand te houden” (Vinkenoog, 2008:36). De ‘happenings’ onder bezielende leiding van Robert Jasper Grootveld brachten provo’s op de been rond Het Lieverdje op het Spui. De clownesk uitgedoste antirookmagiër – zelf ook niet vies van een borrel en blow – was het inspirerende middelpunt van een jonge scene die zich op het snijvlak bevond van existentialistische kunstenaarscultuur en het ontluikende democratiseringsstreven (Duivenoorden, 2009). Ondanks de vaste aanwezigheid van een flinke politiemacht wisten velen met Vinkenoog (2008:37) dat “levenswil zich niet laat neer knuppelen, en speeldrift zeker niet”.

Er waren in die tijd in Amsterdam geregeld anti-Vietnambetogingen, en de Bouwvakkeropstand had zelfs een paar dagen geduurd. Toch wees de regering Cals ondanks de explosieve stemming vastberaden het politiek onrustige Amsterdam aan als de stad waar op 10 maart 1966 het huwelijk van Beatrix en Claus moest worden voltrokken. De rookbom van provo, die vlak voor de gouden koets tot ontploffing werd gebracht, werd wereldnieuws. De ‘provorook’ was feitelijk nog maar het begin van een ontluikende jeugdcultuur die zich na 1966 in hoog tempo ontwikkelde. De autoriteiten beseften dat nieuwe tijden waren aangebroken. Amsterdam werd een beroemde nationale en internationale trekpleister voor hippies, de nazaten van de Amerikaanse beatniks uit de jaren vijftig. Collectief slapen op de Dam werd een nationaal probleem en de autoriteiten hadden tot aan de zomer van 1970 niet voldoende moed om op te treden tegen het ‘werkschuw en langharig tuig’. Omdat het slapen zich verplaatste naar het Vondelpark zag de gemeente zich genoodzaakt om goedkope overnachting in de vorm van sleep-ins te creëren. In 1968 werden de jongerencentra Paradiso en Fantasio geopend en allengs investeerde de gemeente meer geld in jeugdwerk.

In 1969 bezetten studenten het Maagdenhuis. Enkele dagen later werd het met groot politievertoon weer ontzet. Amsterdamse jongerencentra als Paradiso, Fantasio en de Melkweg werden in de jaren zeventig nieuwe, haast autonome bolwerken van en voor jongeren en jongvolwassenen van uiteenlopende pluimage.[ii] Volgens historicus De Kort (1995) verliep het optreden van de politie in de periode 1965 tot 1970 in vier fasen:

(1) repressief optreden na provocaties op straat sorteerde niet het gewenste effect aangezien de kritiek op de autoriteiten toenam;
(2) hierdoor sloop een toenemende twijfel en onzekerheid in het politieapparaat over het effect van een dergelijk optreden;
(3) dit leidde uiteindelijk tot een gedoogbeleid, waardoor
(4) de scherpe kantjes van het conflict werden weggeslepen.

Met de start van hun vredescampagne in het Amsterdamse Hilton hotel versterkten John Lennon en Yoko Ono het imago van de stad als internationale trekpleister voor jeugdtoerisme. Op 17 maart 1970 schreef de Telegraaf dat Amsterdam een invasie verwachtte van tienduizenden hippies uit de hele wereld.

Archief Wernard Bruining. Naar verluidt de eerste Amsterdamse coffeeshop

Archief Wernard Bruining. Naar verluidt de eerste Amsterdamse coffeeshop

Het ontstaan van de Amsterdamse drugscene
Hoewel de eerste sporen van gebruik van ‘verdovende’ of ‘bedwelmende’ middelen in Nederland al van eerder dateren (De Kort, 1995), wordt er pas sinds de jaren zestig en zeventig gesproken van een ‘drugsprobleem’ (Van der Stel, 2006). Een betrekkelijk nieuw fenomeen na de Tweede Wereldoorlog was het gebruik van marihuana, met concentratiepunten van de handel in Rotterdam (Katendrecht) en Amsterdam (Zeedijk en Nieuwendijk). Hoewel (zwarte) musici in swingorkestjes op de Zeedijk zich met behulp van marihuana beter in de muziek meenden te kunnen inleven, was het gebruik van en de handel in marihuanasigaretten minimaal (Van Wolferen, 1949). De handel in marihuanasigaretten nam echter toe toen in West-Duitsland gelegerde Amerikaanse soldaten op ‘pay day’ in groten getale naar Amsterdam kwamen en marihuana kochten die onder andere door Afrikaanse zeelieden was meegenomen (Korf & De Kort, 1990).

De meest gedegen beschrijving van de Amsterdamse drugsscene tussen 1955 en 1970 is van de hand van sociaal-psycholoog Herman Cohen (1975). Middelen als heroïne, cocaïne en ecstasy worden dan nog niet gebruikt. Marihuana, LSD, opium en amfetamine daarentegen wel. Aan het eind van de jaren vijftig ontstaan kleine ‘prototypische scenes’, veelal bestaande uit groepjes kunstenaars, schrijvers, jazzmusici en studenten die intensief aan het nachtleven deelnemen. Kringetjes van ‘verslaafden’ moeten goed op hun tellen passen voor de destijds tweekoppige afdeling Verdovende Middelen van de Amsterdamse politie. De aanloopperiode (1955-1962) van de ontluikende drugsscene was het gevolg van een “spontane zelfontbranding toen de juiste drugs en de juiste mensen elkaar vonden” (Cohen, 1975:57). Deels werden de drugs – met name opiaten en amfetamine(achtigen) – verkregen door receptvervalsingen. In 1955 vielen in Amsterdam de eerste arrestaties onder marihuanasmokkelaars en -rokers. De grootste partij van de jaren vijftig werd in 1959 aangetroffen: 2.286 gram. Indertijd was de marihuanahandel volgens Amsterdamse drugsbestrijders voor een belangrijk deel in handen van Surinamers (Korf & Verbraeck, 1993). De prille drugscene werd niet gevoed door wervingsactiviteiten van drugsgebruikers, maar was eerder het gevolg van een samenkomen van “een groep mensen met een bepaalde levensstijl die op basis van hun bekendheid met alcohol actief op zoek gingen naar andere drugs” (Cohen, 1975:58).

De besmettings- of proselyteergedachte (anderen aanzetten of ‘omturnen’ tot drugsgebruik) kreeg pas voeten aan de grond met de groei van de scene in de jaren zestig. In de verbreidingsperiode (1962-1969) begint de drugsscene te groeien, doordat er een snellere verspreiding van middelen plaatsvindt en een grotere groep mensen ook bereid is om met de aangeboden middelen te gaan experimenteren. Toen bijvoorbeeld iemand een paar ons amfetaminezout op de markt bracht (Cohen, 1975) en een ander LSD uit Engeland importeerde (Ten Hoopen, 1999), sloeg dit vooral aan bij jongeren die al ervaring hadden met hasjiesj. In de verbreidingsperiode worden ook ‘babyboomers’ (geboren tussen 1945 en 1955) uit de middenklasse deelachtig aan de nieuwe genotmiddelen; zij vochten een generatieconflict uit met de dominante cultuur en legden een grote nieuwsgierigheid aan de dag voor drugs. LSD, amfetamine, maar vooral hasj en marihuana, groeiden in korte tijd uit tot de meest gebruikte illegale drugs in Amsterdam.[iii]

LSD-experimenten op de UvA
De bekendheid met LSD had niet in het laatst te maken met de LSD experimenten die zenuwarts Frank van Ree in 1958-1959 met een groep van 43 proefpersonen uitvoerde in het psychologisch laboratorium van het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis (Van Ree, 1966). Eén van de proefpersonen was Simon Vinkenoog, die zijn kennis van LSD-25 enkele jaren later kon aanwenden bij het LSD-gebruik buiten de medische setting. De verspreiding van LSD komt ook duidelijk naar voren uit een enquête die de eerder genoemde Cohen (1967) in het midden van de jaren zestig hield onder circa 1.000 drugsgebruikers, waarvan bijna 600 in Amsterdam. De gemiddelde leeftijd was 23 jaar en tweederde was afkomstig uit de hogere en middenklasse. Behalve naar alcohol en hasjiesj werd in het onderzoek expliciet gevraagd naar LSD, opium en amfetaminen.[iv] Alcohol en hasjiesj werden het meest gebruikt, gevolgd door opium, LSD en op enige afstand amfetamine, dat destijds vooral verkrijgbaar was in poeder- en tabletvorm.[v]

De aanvankelijk bijzonder repressieve reactie (tussen 1955 en 1968) op het gebruik van cannabis moet volgens de eerdergenoemde De Kort (1995) vooral worden toegeschreven aan het ontbreken van deze stoffen in het medicijnkastje van de arts. Cannabis kende immers geen medische toepassing en werd door de autoriteiten daarom uitsluitend gezien als een genotmiddel dat met harde hand bestreden moest worden. Dat gold echter niet voor LSD, dat in 1965 nog straffeloos kon worden gebruikt.[vi] Met LSD, waarmee je bij wijze van spreken alle uithoeken van het universum kon verkennen, werd je ongemoeid gelaten, terwijl je een gevangenisstraf riskeerde voor het bezit van een minuscule hoeveelheid wiet. Het was in de tijd dat The Beatles de hitlijsten bestormden met Lucy in the Sky with Diamonds, een onmiskenbare zinspeling op LSD. LSD werd in 1966 verboden nadat de politie, en al snel daarna ook de regering, waren gealarmeerd door geruchten dat provo’s van plan waren om bij het op handen zijnde huwelijk van Beatrix en Claus met LSD bedruppelde suikerklontjes aan paarden van de huwelijksstoet te geven. Als gevolg hiervan werd LSD binnen een paar weken onder de Opiumwet gebracht (Snelders, 1999; Ten Hoopen, 1999).

Uitgaan en drugsgebruik: drie scenes
Als gevolg van de snelle verspreiding van drugs ontstaan er in de loop van de jaren zestig op verschillende plekken in de stad nieuwe scenes. Cohen (1975) onderscheidt op basis van hun mate van beweeglijkheid drie scenes, die elkaar gedeeltelijk overlappen. Allereerst is er de meest zichtbare en spraakmakende scene, die wordt getypeerd door een ‘grote beweeglijkheid’. Het gaat om beginnende opium- en amfetaminegebruikers, waaronder uit inrichtingen weggelopen zwerfjongeren en jongensprostitués. Hun routes lopen kriskras door de stad, van bezoeken aan vrienden tot aan jeugdcentra en bars rond het Leidseplein en het Rembrandtplein. Het meest opvallend is de drugscene aan het einde van de jaren zestig op het Leidseplein tegenover het toenmalige politiebureau (tegenwoordig een vestiging van coffeeshopketen The Bulldog). Jongeren draaien stickies in discotheek Lucky Star om ze vervolgens buiten het zicht van portiers in het portiek buiten op te roken. Onder de gebruikers zijn ook niet ‘omgeturnde’ vrienden die er wel bij willen horen. De Surinamers onder hen onderscheiden zich door hun muziekkeuze: soul in plaats van jazz of pop. Op straat worden marihuana, hasjiesj, LSD en allerlei peppillen verhandeld. De afnemers zijn scholieren, studenten, werkende jongeren en toeristen. Ondanks het feit dat de politie soms tientallen arrestaties verricht, typeert Cohen de sfeer waarin gebruikt en gehandeld wordt als ontspannen. Er is ook een wat oudere groep, die bestaat uit ex-provo’s, kunstenaars en notoire cafégangers. Samen vormen ze een subcultuur waarbinnen de gesprekken, doorspekt met Engelse uitdrukkingen, vaak gaan over stuff, dealers, politie, het kweken van hennepplanten en de kicks van thee die van verschillende stoffen wordt getrokken. In dezelfde periode wordt het Rembrandtplein meer bevolkt door amfetaminehandelaren en -gebruikers, waarvan sommigenal op de ‘junkie-toer’ zijn. Een deel bedelt, pleegt diefstalletjes en hun armoedige uiterlijk steekt schril af tegenover de mooie modemeiden die er eveneens rondhangen. Onder de hasjiesjgebruikers bevinden zich ‘tea-heads’ die de hele dag door gebruiken. De ‘kickzoekers’ en de ‘bewuste’ hasjrokers zijn de extremen in het gebruikerscontinuüm.

De tweede scene bestaat uit verschillende, min of meer geïsoleerde groepen met een ‘minimale beweeglijkheid’. Elk voor zich zijn deze groepen voornamelijk aan één locatie gebonden (zoals een jongerencentrum), en ze bestaan veelal uit werkende jongeren en/of scholieren uit middenklasse gezinnen. Sommigen hebben zijdelings contacten met de ‘pleingroep’. Drugs spelen een minder prominente rol en er bestaat grote scepsis tegenover LSD. Vooral marihuana roken en tri (vluchtige stof) snuiven zijn in trek. Slechts in een enkele groep vindt ‘multi-drug’ gebruik plaats. Amfetamine wordt alleen gebruikt om het urenlange dansen op beatmuziek vol te houden.

De derde scene wordt gevormd door individuen met een minimale beweeglijkheid, wier drugsgebruik zich niet (meer) tegen de achtergrond van de stedelijke drugscene afspeelt, maar vooral thuis met vrienden. Hieronder bevinden zich gebruikers van opium, amfetamine en psychedelica. Ze zijn doorgaans al wat ouder, maar hebben een gemeenschappelijk verleden. Ze streven naar dieper gaande intermenselijke relaties en tonen een spirituele interesse voor Oosterse filosofie.

Archief Eddy de Clercq • Nachtclub De Koer • Ontwerp Peter Giele

Archief Eddy de Clercq • Nachtclub De Koer • Ontwerp Peter Giele

Een verdeelde stad
In de literatuur over de stad draait het vaak om de tegenstelling tussen een romantische en een functionalistische visie. Het functionalisme beschouwt de stad als een organisatie die vitale functies moet vervullen. De romantiek ziet de stad meer als een geheel van bewoners, een collectief met een eigen geschiedenis en ‘persoonlijkheid’. In de jaren zestig en zeventig zijn deze tegengestelde visies vaak op het scherpst van de snede uitgevochten. Volgens Mamadouh (1992) hebben verschillende factoren hieraan ten grondslag gelegen. Door de naoorlogse geboortegolf werd Amsterdam halverwege de jaren zestig een typische jongerenstad. Jongeren woonden voor het eerst zelfstandig en gingen mede als gevolg van de vaak kleine behuizing massaal gebruik maken van pleinen en parken. De stad stond voor een ingrijpende herinrichting: veel gebouwen stonden op de nominatie te worden gesloopt, het sterk toegenomen verkeer zorgde voor opstoppingen en de woningen waren te klein. De politiek dacht de stad opnieuw in te richten door de sloop van oude wijken, het bouwen van kantoren en het aanleggen van snelwegen dwars door het stadshart. Dankzij het grote verzet van buurtcomités en hun sympathisanten zijn veel van de functionalistische plannen van de gemeentelijke politiek in de jaren zeventig afgeblazen of aangepast.

De overgang naar de jaren zeventig droeg nog vruchten van de romantische idealen van de provo’s, inclusief zelfveroverde territoria zoals het in 1972 door kunstenaars gekraakte dorp Ruigoord. De nieuwe bewoners van dit dorp onder de rook van Amsterdam, dat volgens de plannen moest wijken voor de petrochemische industrie, hadden het politieke tij mee; door de oliecrisis werden de plannen op de lange baan geschoven. Bestond het maatschappelijke protest van provo’s vooral uit ludieke acties, de jaren zeventig werden eerder gekenmerkt door politieke acties en heftiger protesten, met de Nieuwmarktbuurt als gezichtsbepalend verzetsbolwerk tegen de dreigende ‘cityvorming’. De grootschalige ontruimingen ten behoeve van de aanleg van de metro rond 1975 vormden de apotheose van een aanzwellend conflict, waarin uiteenlopende visies over de stedenbouwkundige ontwikkeling van Amsterdam met elkaar streden om de hegemonie. Het verzet in de Nieuwmarktbuurt werd de opmaat voor een onstuitbare opmars van de kraakbeweging, die in 1980 zou leiden tot een protestexplosie en een krachtmeting met het stadsbestuur (Duivenoorden, 2000). In de tussentijd groeide aan het eind van de jaren zeventig het onbehagen, dat niet kon worden los gezien van het economisch getij (Mak, 1986).

Groeiende onzekerheid over toenemend drugsgebruik
Ondanks het feit dat amfetamine in de jaren zestig en zeventig onder jonge Amsterdammers het meest populaire stimulerende middel was, bleef het gebruik ervan grotendeels onopgemerkt. Rond 1970 beleefde Amsterdam zijn eerste ‘speedgolf’. Amfetamine werd vooral functioneel gebruikt, gedurende een bepaalde tijd of bij grote krachtsinspanning, onder andere door sportlieden, popmuzikanten, barkeepers, studenten en mannequins. “Gebruikers voelen zich fitter, krijgen soms een prettige stemming en het gevoel dat ze weer bergen kunnen verzetten” (Cohen, 1975:16). Anderen namen amfetamine om het bewustzijn te veranderen of in een langdurige roes dagenlang door de stad te zwerven. Het was vooral deze laatste categorie gebruikers die hoge doseringen nam of amfetamine injecteerde. Deze compulsieve gebruikers werden ‘speedfreaks’ genoemd omdat ze hun gebruik niet wisten te beheersen. Ze vielen vooral op door hun manische en soms paranoïde wijze van praten, lopen en handelen.
Toch was er in Nederland en Amsterdam in het bijzonder geen sprake van ‘speed panics’, zoals bijvoorbeeld wel het geval was in Amerika en Engeland (Grinspoon & Hedblom 1975; Rasmussen, 2008). Het beeld van amfetaminegebruikers veranderde eind jaren zeventig, toen naast de oorspronkelijke gebruikersgroepen een waaier van nieuwe jeugd(sub)culturen ontstond. Op de drempel van de jaren tachtig manifesteerden zich Amsterdamse punk-, kraak- en kunstenaarsscenes,die voor een deel met elkaar vervlochten waren in kraakpanden, kraakdisco’s en tijdens acties op straat. De muzikale input kwam vooral van Eddy de Clercq. Uit onvrede met de Amsterdamse disco’s, waar al sinds de jaren zestig Jimmy Hendrix en de Stones werden grijsgedraaid, introduceerde de uit Brussel verhuisde Belg in 1977 discofeesten waar wild kon worden gedanst op exotische ritmes en zwarte muziek.
Want, een enkele uitzondering daargelaten, daar ontbrak het in 1977 aan in Amsterdam. Lichtgevende drankjes waren de nieuwe rage en verhoogden de feestvreugde die de discomuziek opriep. De Clercq hield zijn eerste feesten in theater de Brakke Grond, enige tijd later gevolgd door Artis en het De Mirandabad. Eind jaren zeventig waren deze feesten een daverend succes bij de “happy few, de modebewuste types, het inne volk” (De Wit, 2008:11).

Speed in Mokum
Amfetaminehoudende medicijnen als pervitine waren in Nederland tot halverwege de jaren zeventig van de 20e eeuw populair onder studenten, bohemiens, muzikanten, wielrenners en arbeiders. In gebruikerskringen kreeg amfetamine al snel de bijnaam pep of speed (Van Ree, 1977). Tot in de jaren zestig werden ‘speedmedicijnen’ onder andere voorgeschreven tegen depressies en waren ze op recept verkrijgbaar bij de apotheek. In Nederland werden de gevaren van amfetaminegebruik al in de jaren vijftig en zestig onderkend. De omvang van amfetamineverslaving was in de jaren vijftig groter dan die van morfine. Het Ministerie van Volksgezondheid oordeelde dat de stof een ‘sociaal gevaar’ kon opleveren waarvoor de patiënt moest worden behoed. Probleem was echter dat het middel in veel medicijnen was verwerkt (De Kort, 1995).
Uiteindelijk werden de amfetaminen in 1971 ondergebracht in artikel 4a van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Sinds 1 november 1976 valt amfetamine onder de Opiumwet (Krabbe, 1989). Ondanks het verbod werd er in de jaren zeventig en tachtig vanuit Nederland nog steeds illegaal bereid amfetaminesulfaat naar Scandinavië gesmokkeld (Boekhout van Solinge, 1997).

Een straatonderzoek van de SDI (Stichting Drugs Informatie) in de periode 1970-1972 naar de eventuele invloeden van het jeugdtoerisme in Amsterdam, werpt ook enig licht op de verkrijgbaarheid van illegale drugs rond begin jaren zeventig (SDI, 1973). Er werden ruim duizend drugsmonsters aangeschaft in de buurt van jeugdtoeristische verblijfplaatsen als het Vondelpark, Sleepin, Paradiso, Kosmos en Studio 7. De witte amfetaminetabletten kostten afhankelijk van de afgenomen hoeveelheid tussen een dubbeltje en een gulden. De witte poeders die als pervitine werden verkocht varieerden in prijs tussen de 25 en 50 gulden per gram. De handel in pervitine, die nog buiten de Opiumwet viel en justitieel nauwelijks werd belemmerd, was van constante kwaliteit. Bedrog vond slechts op kleine schaal plaats en was meestal het uitvloeisel van inbraken in apotheken en fotolaboratoria. Toen in 1972 de pervitine-aanvoer stokte ging de prijs omhoog en nam de kwaliteit af. Schuurpoeder en Ve-tsin werden soms als alternatief verkocht. Onwetende buitenlanders waren hier de eerste slachtoffers van. Stoffen van discutabele kwaliteit waren het verdovende phencyclidine en het ‘nog gekker’ makende natriumthiosulfaat dat door speedfreaks uit fotolaboratoria werd gejat en als een zak met ‘leuke witte kristalletjes’ als pervitine werd aangeboden (SDI, 1973). Het minder krachtige ephedrine dat in sommige hoestdrankjes zat en de luchtwegen verwijdde was gewoon nog bij de drogist te koop.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt op grond van de verhalen van stappers en onderzoek naar recreatieve gebruikers en drugshandel geconstateerd dat de amfetaminemarkt op het lage handelsniveau nauwelijks of geen overlap kent (Cohen, 1989; Korf et al., 1990). De amfetaminemarkt lijkt bij uitstek een monodrugsmarkt en wordt voornamelijk in minder deviante settings of andere subculturen gebruikt. Bij de bestrijding heeft het middel een lage prioriteit en het gebruik levert in de samenleving nauwelijks problemen op (Korf & De Kort, 1990). In het onderzoek Dealers en dienders wordt aan de hand van interviews met amfetaminehandelaren en veldonderzoek met sleutelpersonen een typering gegeven van de detailhandelaren die opereren op de Amsterdamse amfetaminemarkt (Korf & Verbraeck, 1993). Hofleveranciers: vakmensen die meestal al jarenlang in de pephandel
zitten en de ‘betere’ klanten (kunstenaars, studenten, et cetera) bedienen. Ze selecteren hun afnemers. Kruideniers: beknibbelende pepdealers die groot willen worden. Volksdealers: kleine buurtgebonden pepdealers bij wie iedereen terecht kan en mag blijven hangen. Patsers: pepdealers met strafblad die zich met verbaal en fysiek geweld
een plaats op de markt verwerven. Ze dulden geen concurrentie in de eigen buurt en zijn vaak te karakteriseren als polydrugshandelaren. De gebruikers in de panelnetwerken zijn grotendeels gericht op de recreatieve markt die sinds de jaren zeventig analoog loopt aan de reguliere markt en in de jaren negentig overigens een zeer geringe rol speelt in
het harddrugsmilieu (hoofdstuk 7).

Een dexedrine anekdote
Het (recreatieve) gebruik van amfetamine werd in jongerenculturen door de tijd heen op verschillende wijze gearticuleerd in zowel collectief als individueel verband. Daarbij schrok men er bij gelegenheid niet voor terug om doktersrecepten te ontvreemden. Iemand als Kees bijvoorbeeld, frequent bezoeker van de Lucky Star, artistiekeling, behorend
tot de Leidsepleinjeugd in 1960 en vereeuwigd door Simon Vinkenoog (2008) in een hilarische dexedrine anekdote. Als Kees voor zijn vriendin een recept moet ophalen bij dr. Polak, maakt hij en passant van de gelegenheid gebruik om tijdens een onbewaakt ogenblik een stapeltje receptenbriefjes te ontvreemden. Hij laat zijn vriend Job, die goede relaties met medicijnstudenten heeft, een van de briefjes invullen: 100 tabletten van 10 milligram dextro-amfetaminesulfaat. Op de bijsluiter staat vermeld: Dexedrine, tegen depressietoestanden, narcolepsie, post-encefalitisch parkinsonisme, ter verdrijving van slaperigheid ten gevolge van overdosering van een slaapmiddel; optimale dosis 10 tabletten per dag. Bij het verzilveren in de Campert apotheek blijkt dat ze geen 10 milligram tabletten hebben. Of het ook 200 tabletten van 5 milligram mogen zijn? Natuurlijk! Met 180 tabletten voor zes gulden, meer geld hadden ze niet, vertrekt Kees in het gezelschap van een paar vrienden met de auto naar Zandvoort, snoepend van de tabletten. Drie dagen feest! Na terugkomst wordt Kees net als medicijnenvriend Job bij het krieken van de dag van zijn bed gelicht. Een medewerker van de Campert apotheek had onraad geroken toen deze na controle het ontbreken van de grote hoeveelheid dexedrine bemerkte. Na contact met dr. Polak, die van niets wist, werd de politie ingelicht. Voor de politierechter krijgt vriend Lex, die mee naar het strand was, een boete van dertig gulden en drie weken voorwaardelijk; Job gaat met zes weken voorwaardelijk vrijuit. En Kees? Hij was volgens de politierechter de grote boosdoener, die moet oppassen dat hij niet tot de overjarige Leidsepleinjeugd zou gaan behoren. Het wordt hoog tijd dat Kees een vaste baan krijgt. Maar pas na zijn gevangenisstraf van twee maanden met aftrek (Vinkenoog, 2008).

De jaren tachtig: underground, kraken en de opkomst van snuifcocaïne
Het roerige jaar 1980 zet meteen de toon voor de daaropvolgende jaren. Er hangt een revolutionaire sfeer in de stad die parallellen vertoont met de provo-acties van 1966. De hoogtijdagen van provo vormden tevens de ontstaansperiode van de Amsterdamse kraakbeweging; in 1969 ontstond een nieuw type actievoerder, de kraker (Duivenoorden, 2000). Beide protestgeneraties – de provo’s onder de babyboomers én de kinderen van de babyboomers – bestonden voor een aanzienlijk deel uit studerende middenklasse jongeren en beiden daagden de rechtsorde uit. Het grote verschil was dat krakers er andere rituelen op nahielden dan provo’s. Dit keer wordt de politie niet geprovoceerd met krenten, maar belaagd met stenen en knuppels.

In de aanloop naar Koninginnedag, tevens de dag waarop prinses Beatrix tot koningin werd gekroond, waren er alleen al in de eerste maanden tientallen opstootjes, kraakacties en ontruimingen, die breed werden uitgemeten in de media. Politie en krakers betwisten onophoudelijk elkaars territorium op straat en rond gekraakte panden. Het beleg van een gebarricadeerd pand in de Vondelstraat, tussen 29 februari en 3 maart 1980, spant voorlopig de kroon (Blom et al., 1980).

‘Krakers jagen politie weg’ luidde zaterdag 1 maart de openingskop van de Volkskrant. De Vondelvrijstraat wordt uitgeroepen en een paar duizend actievoerders verschansen zich rond het pand pal naast het Vondelpark. Gemeenteraadsleden voeren urenlang koortsachtig overleg met woordvoerders van de kraakbeweging. De lokale omroep Stad Radio Amsterdam doet emotioneel verslag van de laatste ontwikkelingen.

Op de achtergrond klinken geluiden van schrille politiesirenes, tegen asfalt en politieschilden kletterende stenen en geschreeuw van demonstranten: ‘ME, weg ermee!’ en ‘Geen woning, geen kroning’. In de voorgaande periode heeft de kraakbeweging, met volgens sommigen een achterban van wel 10.000 actievoerders, haar terrein verlegd van de 19e-eeuwse buurten (onder andere de Kinkerbuurt, de Pijp, de Indische- en vooral de Staatsliedenbuurt) naar de Grachtengordel. Omdat de sloopblokken in de saneringsbuurten inmiddels allemaal waren opgevuld, komt het merendeel van de nieuwe aanwas van de kraakbeweging eind jaren zeventig terecht in grote leegstaande bedrijfspanden in de binnenstad. “De lont zit in het kruitvat. Het is niet de vraag óf de boel zal exploderen, alleen maar hoe en wanneer”, aldus van Duivenoorden (2000:152). De massale geweldsexplosie op 30 april 1980 vormt de catharsis van een bewogen jaar.

Als de medio jaren zeventig ingezette economische crisis in de loop van de jaren tachtig verergert, met forse bezuinigingen en hoge werkloosheidscijfers tot gevolg, groeit het defaitisme. Vooruitgangsgeloof en idealisme maken plaats voor individualisme (het ‘ik-tijdperk’). Dat gold niet alleen voor de yup (young urban professional), maar net zo goed voor de kraker, die door te koketteren met autonomie bij uitstek drager van het nieuwe individualisme is. De journalist en stadshistoricus Mak verwoordt de omslag als volgt: “Het traditionele politieke denken waarin alle existentiële vragen tot ‘problemen’ gereduceerd werden die ‘opgelost’ konden en moesten worden liep vast. Het adagium van de eeuwige groei, waarop ons hele economische systeem altijd gebaseerd was, bleek op zijn zachtst gezegd dubieus” (Mak, 1986:21).

Terwijl in het kroningsjaar 1980 het doemdenken onder jongeren hoogtij vierde en het heroïnegebruik steeds meer om zich heen greep, opende discotheek de Koer haar deuren. Onder de bezielende leiding van wederom Eddy de Clercq draaide de club een afwisselende mix van Amerikaanse disco, underground uit New York en Europese electro, new wave en punkrock. Nieuw aan de Koer was niet alleen de combinatie van muziekstijlen, het was ook de enige plek in Amsterdam waar punk en disco elkaar ontmoetten. Het dansen (ook wel: ‘koeren’) bestond uit stilstaand met je armen en schouders bewegen. De sfeer in de fel verlichte, kale witte ruimte, die het midden hield tussen opgefokt en heel erg verveeld, trok als een magneet (De Wit, 2008). Het publiek was wit, maar in politieke kleur net zo gemengd als de muziekstijlen: activistische punks dansten naast yuppen en homo’s. Vergeleken met de jaren negentig stond het Amsterdamse nachtleven aan het begin van de jaren tachtig nog in de kinderschoenen.

De stad telde een klein dozijn discotheken en dansgelegenheden, waaronder de eveneens in 1980 geopende Mazzo, met een allegaartje van kunststudenten, new wavers en werkende jongeren – een mix die zeker voor die tijd niet vanzelfsprekend is. Zo was het Okshoofd vooral spannend omdat je daar kon ‘uitfreaken’ tussen een écht fout publiek dat zich daar diep achterin het pand ophield. De bezoekers van danscafé de Plak waren van een gestileerd allooi. Net als de Richter – indertijd landelijk bekend door de wekelijkse televisie-uitzendingen van het programma RUR – trok de Plak een specifieke groep: de Plak was speed, de Richter coke. Cocaïne was dé nieuwe drug, maar wel erg duur en daardoor lang niet voor iedereen weggelegd. De Escape trok met Amerikaanse rhythm and blues verhoudingsgewijs de meeste Surinaamse en Antilliaanse bezoekers. In Zorba de Bhoeddha kwamen vooral spirituele stappers, met name aanhangers van de indertijd modieuze Bhagwan-beweging. Studenten ontmoeten elkaar in Dansen bij Jansen, de meer alternatieven onder hen in Tijl Uilenspiegel. Het DOK was dé ontmoetingsplek voor homo’s.

Illustratie Peter Pontiac • Gecensureerd in een jongerenblad

Illustratie Peter Pontiac • Gecensureerd in een jongerenblad

Daarnaast bestond er dankzij de kraakbeweging een heel scala aan kraakcafés en concertruimten in grote kraakpanden (onder andere de Emma, NL. Centrum, Vranckrijk, OC111, Van Hall-hal, Wielingen en Wijers), waar tientallen punkbands oefenden en optraden. Verder waren er enkele kraakdisco’s zoals de Fluks en de Melanoom. De Melanoom was gevestigd in een gekraakt pand van de Universiteit van Amsterdam, met een tot discotheek getransformeerd rommelmagazijn, waar de underground zich tot 1986 elke vrijdag- en zaterdagavond nestelde in een pretentieloze ruimte met kale tapijten en vale bankstellen. De psychedelische vloeistof diaprojecties, relikwieën uit het hippietijdperk, zorgden voor kleurrijke patronen op de grauwe muren. De muziek was een mengeling van psychedelische rock en popmuziek, waarvan de beleving werd geïntensiveerd door het gebruik van speed en LSD. Naar verluidt dook hier al rond 1986 de eerste ecstasy op binnen het Amsterdamse uitgaansleven (Adelaars, 1991; De Wit, 2008).

Veel van deze uitgaanslocaties, of ze nu wel of niet gekraakt waren, lagen verspreid door Amsterdam, maar waren vooral in de binnenstad gesitueerd. Toch was er veel minder dan in eerdere decennia sprake van een concentratie op en rond het Leidseplein en het Rembrandtplein. In de buurt van het Leidseplein draaiden de Melkweg en Paradiso echter nog steeds op volle toeren. Sinds de jaren zeventig deinden ze mee op de laatste trends in mode, muziek en uitgaan. Clubbezoekers in de jaren tachtig droegen bij voorkeur zwart, pantermotieven, leer, gescheurde panty’s en soldatenkistjes of stilettohakjes. In de legendarische Pepclub (1982-1985) van Paradiso draaide, alweer, dj Eddy de Clercq rare groove, disco, latin en Afrikaanse tribal geluiden. Volgens sommige muziekpuristen viel hier ook de eerste oervorm van house te beluisteren.

Maar vooralsnog trok Paradiso vooral volle zalen met punk, ska, new wave en vuige rockbands (Dietvorst & Hiddink, 2008). Na afloop van een concert rond een uur of één ’s nachts, was de zaal meestal om twee uur leeg. ’s Avonds om tien uur naar de disco gaan en dansen op top-40 muziek tot een uur of twee nachts was sowieso niet ongewoon in de jaren tachtig. In menige discotheek zetten de meisjes hun tasje nog op de dansvloer. Dansen bestond vóór de opkomst van house wel, maar als de muziek je niet aanstond, dan ging je gewoon naar de bar voor een drankje. Veel dj’s draaiden top-40 hits, soms afgewisseld met praatjes om de aandacht van het publiek vast te houden tot het volgende plaatje. En hoewel discomuziek de voorloper van house was (Shapiro, 2005; Lawrence, 2003), liet het merendeel van het toenmalige Amsterdamse discopubliek het volledig afweten toen acid house enige jaren later aan de discopoort klopte.

Een tweede speedgolf, heroïne en coffeeshops
In de jaren tachtig is weinig onderzoek gedaan naar drugsgebruik onder Amsterdamse uitgaanders. Het uitbreken van de heroïne-epidemie in de jaren zeventig is hier waarschijnlijk voor een belangrijk deel debet aan geweest. Toch waren er wel degelijk jongerensubculturen die zich in die tijd naast het heroïnemilieu ontwikkelden.

In sommige kringen werd amfetamine als ‘brandstof’ gebruikt om heftige kraakacties en straatgevechten met de mobiele eenheid te beslechten. Deze generatie maakte deel uit van de tweede speedgolf in Amsterdam. De ‘do-it-yourself’ cultuur was mede door invloed van kraakbeweging en het aanpalende underground circuit een antwoord op de hoge werkloosheid die de langdurige economische malaise met zich meebracht. Sociologisch zou deze periode te boek komen te staan als het ‘no-future’-tijdperk waarin de verloren generatie opgroeide (Becker, 1997).[vii] Een punk uit die tijd verklaarde dat er soms sprake was van een soort normvervaging ‘omdat je met zijn allen weken achtereen op de speed was’ (Goossens, 1996). Graffiti spuiten tijdens nachtelijke speedescapades was vooral populair onder de politiek geëngageerde straatkunstenaars. De legendarische, op 21-jarige leeftijd overleden, graffiti kunstenaar Dr. Rat moet hebben geleefd op een menu van speed, patat en bier.

Amfetamine maakte ook furore in het artistieke uitgaansmilieu van de Mazzo. Vergeleken met de dure cocaïne was amfetamine begin jaren tachtig goedkoop (10-15 gulden per gram) en vrij eenvoudig verkrijgbaar. Overal waren thuisadresjes van speeddealers. De gebruikers vormden een gemêleerd gezelschap van punks, krakers, kunstenaars, muzikanten, studenten en werkende jongeren, die amfetamine gebruikten in cafés en discotheken of tijdens concerten van punk en new wave bands. In café De Hoogte, een populair trefpunt, was blowen uit den boze. Wie een joint wilde roken, moest van de eigenaar naar buiten. Maar de pakjes speed gingen buiten medeweten van de eigenaar onder de cafétafel van hand tot hand. Het toilet was de veiligste plek om het poeder met behulp van een sleutel op te snuiven, meisjes met lange nagels konden het zo uit het pakje scheppen. Omdat speed dorstig maakt, werd daarna meteen bier besteld.

In die turbulente periode maakte concertganger én fotograaf Max Natkiel in Paradiso de radicale omslag mee van een voormalige hippietent tot ‘punkhol’. Zijn fotoboek Paradiso Stills (Natkiel, 1986) vormt een unieke verzameling zwart/wit portretten van de Amsterdamse underground in de vroege jaren tachtig. De foto’s bieden een fascinerende staalkaart van subculturen op het snijpunt van de nadagen van punk en de explosie van nieuwe jeugdstijlen (rude boys, rasta’s, skinheads, new romantics, Molukkers, teds, mods, autonomen en heavy metal rockers). Pervitine, een variant van amfetamine, was naast softdrugs en alcohol dé punkdrug bij uitstek. De tomeloze energie van de jonge bezoekersschare, die driftig pogo’de en tijdens concerten soms met tientallen tegelijk het podium bestormde, valt hier voor een deel uit te verklaren. Ook de travestieverschijning Vera Springveer, die zijn carrière in de jaren tachtig begon in de Mazzo, voelde zich thuis in de Amsterdamse undergroundscene van ‘kraakpanden, dope, punkbands en overal feestjes’ (Quaegebeur, 2007). De stad was een broeinest van politiek verzet en creativiteit. Straatkunstenaars als Dr. Rat, Peter Pontiac en Hugo Kaagman beschouwden het publieke domein als hun museum. Maar er waren ook punks en krakers die via de speed verslaafd waren geraakt aan heroïne en de anarchistische opvattingen van de kraakscene misbruikten door van medebewoners te stelen (De Leeuw et al., 2000).

Punk was voorlopig de laatste jongerencultuur waarbinnen amfetamine een prominente plaats innam; de drug fungeerde ook als aanjager van subversie en ongecontroleerde wildheid in de muziek. Punk keerde zich tegen de gevestigde orde en de almachtige platenmaatschappijen. De Amsterdamse underground was vergelijkbaar met muziekscenes in Berlijn, Londen en Parijs en vertegenwoordigde in de vroege jaren tachtig een overgangsperiode tussen het idealisme van de jaren zestig en het ongebreidelde vrijemarktkapitalisme vanaf eind jaren tachtig. De vroege jaren tachtig worden vaak geassocieerd met doemdenken, negativisme, grauwheid, kruisraketten, werkloosheid en stedelijke aftakeling, maar tegelijkertijd waren het de gouden jaren van de underground, “toen punk was opgebrand terwijl house nog luierde in het vruchtwater” (De Vries, 2006:10).

Een andere snel groeiende groep consumenten in de recreatieve drugssfeer van de jaren tachtig was die van de jonge blowers. Als gevolg van de decriminalisering van softdrugs kwamen er naast de straatverkoper en de thuisdealer geleidelijk aan meer vaste verkooppunten in de vorm van koffieshops, later steeds vaker coffeeshops genoemd. De scheiding tussen kleinhandel in en gebruik van soft- en harddrugs kwam overigens niet altijd zonder slag of stoot tot stand. Tussen april en september 1981 waren er alleen al in Amsterdam 37 politie-invallen in coffeeshops waarbij 67 personen werden gearresteerd (Korf & Verbraeck, 1993). In coffeeshop The Bulldog op het Leidseplein kwam de politie zelfs een paar keer per week op bezoek of deed een inval (Jansen, 1989). Met de omslag in het beleid ten aanzien van coffeeshops (hoofdstuk 1) volgde een ware explosie: 20 coffeeshops aan het begin van de jaren tachtig naar ongeveer 300 tien jaar later (Jansen, 1989). Tegelijkertijd herbergde Amsterdam steeds meer heroïneverslaafden, waaronder veel buitenlandse ‘heroïnetoeristen’ (Korf, 1987). Achteraf gezien was 1984 het piekjaar van de heroïnegeneratie, met naar schatting bijna 10.000 heroïneverslaafden en het ongekende aantal van 73 sterfgevallen door overdosis (Korf et al., 2006). De start van de heroïne-epidemie lag in de vroege jaren zeventig, toen de drug specifieke subculturele functies ging vervullen voor groepen jongeren die sterk de behoefte voelden om zich te articuleren tegenover de omringende samenleving. Naast het gebruik van speed, opium en LSD werd het groeiende gebruik van heroïne in de eerste helft van de jaren zeventig gekenmerkt door haar symboolkarakter voor verschillende categorieën jongeren (Swierstra & Janssen, 1986). Gaandeweg de jaren zeventig viel de populatie drugsgebruikers verder uiteen, met als grootste tegenpolen de straatscene van harddrugsgebruikers en de uitgaansscene van recreatieve gebruikers. In tegenstelling tot heroïnegebruikers beperkten stappers hun gebruik tot het weekend. De met het groeiende aantal heroïneverslaafden steeds alarmerender gezondheidsproblematiek vormde in de jaren tachtig een belangrijke aanleiding voor een omvangrijk onderzoeksprogramma onder de gedreven leiding van Peter Cohen. Daarin lag de nadruk op heroïne, met als centrale thema’s: drugsscenes (Van Gemert, 1988), drugsoverlast (Kersloot & Musterd, 1987, 1998), straathandel (Verbraeck, 1988), allochtone heroïnegebruikers (Van Gelder & Sijtsma, 1988), heroïnetoerisme (Korf & Van Poppel, 1986; Korf, 1986) en de effectiviteit van methadonverstrekking (Korf & Hoogenhout, 1990; Plomp & Reyneveld, 1991).

De speedscene
In die roerige jaren tachtig leerde ik Ronald en Dorien kennen die deel uitmaakten van de Amsterdamse punkscene. Ik portretteerde ze destijds over hun speedgebruik (Nabben, 1992).

Dorien (22) kwam op haar 14e via een dealervriendje voor het eerst in aanraking met speed in de punkscene van Middelburg, die ze omschrijft als ‘ruig, snel, uit je dak en de hele nacht freaken en lullen over van alles en nog wat’. Speed maakte haar overmoedig en gaf haar het gevoel dat ze alles aankon. “Je klimt in steigers, loopt over daken of breekt impulsief in bij een drankhandel. Louter en alleen voor de kick.” Speed was cool en niemand geloofde dat het middel verslavend kon zijn. Maar na een jaar lang speed snuiven en slikken begon ze op haar 15e te experimenteren met het injecteren van speed. Na een shot voelde ze de speed als een rush door haar lichaam trekken. Na een acute opname in het ziekenhuis als gevolg van een overdosis, kreeg ze te horen dat ze een leverkwaal had. Dorien zei de speedscene in Middelburg vaarwel en vluchtte in 1984 naar Amsterdam, waar ze de 15-jarige Ronald ontmoette. De punkrage was overgegaan in new wave, een aan punk verwante subcultuur waar muziek meer op de voorgrond stond.

Ronald’s eerste pepervaring was in café de Muur, een lange blinde graffitimuur aan de achterkant van het gekraakte NRC-Handelsbladgebouw, met één deur in het midden (tegenwoordig café Schuim). Hij weet nog goed hoe dat voelde: “Mijn haren gingen recht opstaan. Het was een synthetisch gevoel in mijn hoofd.” Speed gaf de feesten en concerten een extra dimensie. Alsof je langer kon genieten van een feest! Speed was goedkoop (10-15 gulden per gram) en er was altijd wel iemand die het bij zich had. Toch wisten de meesten na jarenlang gebruik dat speed niet zo onschuldig was. De talrijke katers en het ‘vage gevoel’ werden steeds zwaarder. Nagels groeiden niet meer en tanden braken soms spontaan af. Na een ontmoeting met Herman Brood realiseerde Dorien zich dat geen mens onverwoestbaar blijft na langdurig amfetaminegebruik. Rond hun twintigste was de lust in speed en rebellie grotendeels verdampt. De tijd dat ze met z’n allen beschilderd en met grote hanenkammen door de stad liepen en ‘schijt aan iedereen’ hadden, was voorgoed voorbij. Op de drempel van de jaren negentig viel de scene uit elkaar. Speed paste niet meer in het nieuwe hedonistische tijdsbeeld. Maar wat was het alternatief? Ecstasy, dat bij de a-politieke house hoorde? Cocaïne, dat duur en decadent was? LSD, met een gerede kans om te flippen? Of heroïne, waar sommigen al verslaafd aan waren?

Een andere snel groeiende groep consumenten in de recreatieve drugssfeer van de jaren tachtig was die van de jonge blowers. Als gevolg van de decriminalisering van softdrugs kwamen er naast de straatverkoper en de thuisdealer geleidelijk aan meer vaste verkooppunten in de vorm van koffieshops, later steeds vaker coffeeshops genoemd. De scheiding tussen kleinhandel in en gebruik van soft- en harddrugs kwam overigens niet altijd zonder slag of stoot tot stand. Tussen april en september 1981 waren er alleen al in Amsterdam 37 politie-invallen in coffeeshops waarbij 67 personen werden gearresteerd (Korf & Verbraeck, 1993). In coffeeshop The Bulldog op het Leidseplein kwam de politie zelfs een paar keer per week op bezoek of deed een inval (Jansen, 1989). Met de omslag in het beleid ten aanzien van coffeeshops (hoofdstuk 1) volgde een ware explosie: 20 coffeeshops aan het begin van de jaren tachtig naar ongeveer 300 tien jaar later (Jansen, 1989). Tegelijkertijd herbergde Amsterdam steeds meer heroïneverslaafden, waaronder veel buitenlandse ‘heroïnetoeristen’ (Korf,1987). Achteraf gezien was 1984 het piekjaar van de heroïnegeneratie, met naar schatting bijna 10.000 heroïneverslaafden en het ongekende aantal van 73 sterfgevallen door overdosis (Korf et al., 2006). De start van de heroïne-epidemie lag in de vroege jaren zeventig, toen de drug specifieke subculturele functies ging vervullen voor groepen jongeren die sterk de behoefte voelden om zich te articuleren tegenover de omringende samenleving. Naast het gebruik van speed, opium en LSD werd het groeiende gebruik van heroïne in de eerste helft van de jaren zeventig gekenmerkt door haar symboolkarakter voor verschillende categorieën jongeren (Swierstra & Janssen, 1986). Gaandeweg de jaren zeventig viel de populatie drugsgebruikers verder uiteen, met als grootste tegenpolen de straatscene van harddrugsgebruikers en de uitgaansscene van recreatieve gebruikers. In tegenstelling tot heroïnegebruikers beperkten stappers hun gebruik tot het weekend. De met het groeiende aantal heroïneverslaafden steeds alarmerender gezondheidsproblematiek vormde in de jaren tachtig een belangrijke aanleiding voor een omvangrijk onderzoeksprogramma onder de gedreven leiding van Peter Cohen. Daarin lag de nadruk op heroïne, met als centrale thema’s: drugsscenes (Van Gemert, 1988), drugsoverlast (Kersloot & Musterd, 1987, 1998), straathandel (Verbraeck, 1988), allochtone heroïnegebruikers (Van Gelder & Sijtsma, 1988), heroïnetoerisme (Korf & Van Poppel, 1986; Korf, 1986) en de effectiviteit van methadonverstrekking (Korf & Hoogenhout, 1990; Plomp & Reyneveld, 1991).

Cocaïne in Amsterdam: de koloniale, probleem- en feestperiode
De cocaïnegeschiedenis in Amsterdam kan worden verdeeld over drie elkaar deels overlappende periodes:

(1) de koloniale periode;
(2) de feestperiode en
(3) de probleemperiode (Nabben & Korf, 1999).

De koloniale periode loopt van eind 19e eeuw tot de jaren dertig van de 20e eeuw. In dit tijdsbestek werden cocaplantages op Java (indertijd Nederlands-Indië, tegenwoordig Indonesië) aangelegd en werd het cocablad vervolgens per schip naar de Amsterdamse haven verscheept en in de Nederlandse Cocaïne Fabriek (NCF) aan de Schinkelkade tot cocaïne verwerkt (Korf & De Kort, 1990). Nadat cocaïne onder de in 1919 ingevoerde Opiumwet kwam te vallen, konden productie en handel gewoon doorgaan, zolang de cocaïne maar bedoeld was voor medische doeleinden – in de praktijk vooral voor de export. Terwijl het middel nog wel op recept verkrijgbaar was, ontstond er ook een eerste illegale markt. Hoewel het middel ook na 1930 nog werd gebruikt, werd cocaïne door de economische wereldcrisis schaarser en kreeg het geduchte concurrentie door de ontdekking van het goedkopere amfetamine (Korf & Verbraeck, 1993). Ofschoon Nederland indertijd behoorde tot de grootste cocaïne producerende en -exporterende landen ter wereld, was er geen sprake van een cocaïneprobleem (Korf & De Kort, 1989). Na de Tweede Wereldoorlog, tot ongeveer halverwege de jaren zeventig, was er in Amsterdam nauwelijks tot geen cocaïne te krijgen. In Nederland gold cocaïne lange tijd als een ‘rijkeluisdrug’. Het was duur en had geen of nauwelijks lichamelijk verslavende effecten. Vooral welgestelde mensen konden jarenlang ongemerkt doorgaan met gebruik (Krabbe, 1989).

In de studie van Cohen (1975) over de Amsterdamse drugsscene tussen 1955 en 1969 wordt met geen woord gerept over cocaïnegebruik of -handel. Tekenend voor de onbekendheid met het middel in die tijd is een anekdote van Ten Hoopen (1999), die in 1965 met een bevriende apotheker een partij zuivere cocaïne uit de gifkast haalde om mee te experimenteren. De aanvankelijke opwinding sloeg om in teleurstelling toen bleek dat LSD vele malen sterker was dan cocaïne.

De feest periode start pas eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, en loopt tot op heden door. Confiscaties nemen een enorme vlucht. Er wordt als gevolg van de geografisch strategische ligging van Nederland relatief veel in Nederland onderschept, vooral omdat de (voormalige) overzeese gebiedsdelen dicht bij de bronlanden liggen en de cocaïne via Suriname, Aruba, Curaçao of Sint Maarten naar Nederland wordt gesmokkeld (Korf & Verbraeck, 1993).

De probleem periode van cocaïne begint iets later in de jaren tachtig; het middel wordt naast heroïne door de Amsterdamse straatscene gebruikt (Korf & Hoogenhout, 1990) en vanaf halverwege de jaren negentig verschijnt het steeds meer in rookbare vorm onder de naam gekookte coke, de Nederlandse benaming voor crack (Boekhout van Solinge, 2001; Kools, 1997; Korf et al., 1995; Nabben, 1998). Crack, tien jaar eerder al bekend in Amerika en Groot-Brittanië (Williams, 1990, 1992; Reinarman & Levine, 1997), wordt eerst populair in de Rotterdamse drugscene, waarna Amsterdam snel volgde (Blanken & Barendregt, 1997).

Archief Jellinek. Voorlichtingscampagne eind jaren tachtig

Archief Jellinek. Voorlichtingscampagne eind jaren tachtig

Cocaïne: de champagne onder de drugs
Hoofdinspecteur Sietsma, indertijd chef van de Amsterdams narcoticabrigade, dacht eind jaren zeventig nog dat het wel los zou lopen met het cocaïnegebruik in Amsterdam. Maar in 1980 is hij daar opeens niet meer zo zeker van, zo blijkt uit een interview met Sietsma in Nieuwe Revu van 21 november 1980, met als kop ‘Cocaïne net zo gevaarlijk als heroïne’. De cocaïnehandel neemt op dat moment na heroïnehandel de tweede plaats in bij de Amsterdamse drugsbestrijding. Cocaïne, waarvan het gebruik in alle lagen van de bevolking ‘explosief is gestegen’, is volgens bestrijders en hulpverleners allang niet meer een ongevaarlijk genotmiddel voor welgestelden. In het artikel komen ook gebruikers (onder andere een diskjockey en een spuiter) en een dealer aan het woord. De dealer vertelt dat cocaïne met 200 à 250 gulden per gram erg kostbaar is en verkopers daarom naast halve en kwart grammen in de disco zelfs lijntjes verkopen. De diskjockey die cocaïne tijdens het plaatjes draaien snuift, baalt ervan dat de prijs sinds eind jaren zeventig, toen de cocaïne nog zo’n 125 gulden per gram kostte, door de verhoogde populariteit ongeveer verdubbeld is. Tot overmaat van ramp wordt de cocaïne ook nog vaker versneden (met name met lidocaïne, procaïne, novocaïne of mannitol). Tegelijkertijd roemen gebruikers de drug omdat ze er zelfverzekerder van zouden worden. Verslavingsrisico’s, egotripperij en agressiviteit als gevolg van cocaïnegebruik worden onderkend, maar omdat cocaïne niet altijd leverbaar en duur is, wordt het risico daarop laag ingeschat.

In december 1984 slaat Nieuwe Revu echter alarm door ‘het einde van een mythe’ aan te kondigen . De gebruiker roept nu vertwijfeld dat cocaïne ‘duivelsspul’ is en de dealer beschouwt het als ‘risky business’. De narcoticabrigade moet toegeven dat Zuid-Amerikanen een stevige greep op de cocaïnemarkt hebben. De gramprijs is weer gezakt naar 125 gulden. Cocaïneparafernalia (vergulde scheermesjes, lepeltjes, plastic stofzuigertjes, weegschaaltjes, spiegeltjes en bullets om de coke in te malen) gaan als zoete broodjes over de toonbank van souvenirwinkels en headshops. In de hoofdstedelijke discotheken zou minstens de helft van de bezoekers aan de coke zijn. Het is een drukte van belang voor de toiletten – waar sommigen met zijn drieën tegelijk in gaan – en leeg bij de urinoirs. Weekendgebruikers zijn vol zelfvertrouwen en flirten tijdens het uitgaan makkelijk met stappers tegen wie ze voorheen nooit iets durfden te zeggen. Op het hoogtepunt van de heroïnegolf in Amsterdam verklaart Nieuwe Revu het gebruik van de champagne onder de drugs als volgt: “Coke is helemaal van deze tijd. In de jaren zestig was je lief en ambitieloos dus rookte je hasj. In de jaren zeventig zag je het niet meer zitten en ging je heroïne spuiten. Tegenwoordig moet je dynamisch zijn, geen tijd voor gezeur, er tegenaan. En daar zorgt cocaïne voor.” Terwijl het recreatieve cocaïnegebruik zich ‘als een olievlek’ verspreidt over Amsterdam, kloppen de eerste verslaafde snuivers aan bij de afkickkliniek.

Nieuwe Revu kan er kennelijk geen genoeg van krijgen en stort zich in 1985 opnieuw in het Amsterdamse nachtleven (‘Stappers, zuipers en snuivers’, 20 september 1985). Dit keer niet alleen in disco’s als Mazzo en Richter, maar ook in de Jordaanse kroegenwereld, waar uitbundige stappers en snuivende nachtdieren heimelijke contacten met cokedealers leggen. Sluitingstijden bestaan niet meer met de witte motor én drank, zo is de teneur. Een jaar later besteedt Nieuwe Revu aandacht aan de yuppies die het ‘new capitalism’ vieren (‘Als je te weinig ruggengraat hebt dan breekt dit je op’, 5 december 1986).

Trendsetters, bekende Nederlanders, beursbengels, muzikanten en Hells Angels zouden zich te midden van nieuwsgierige pottenkijkers royaal te goed doen aan champagne en dure flessen wijn. De echte snuifsnobs snoeven over urenlange sekspartijen, decadente luxe, met diamanten ingelegde Rolexen of de nieuwste sportauto. De cokedealer staat te praten met een jurist en bijdehante meisjes leggen het aan met succesvolle mannen van de wereld. Het moeten de gouden tijden voorstellen met veel geld, veel vrienden en veel cocaïne, waarmee sommige verkopers duizenden guldens per avond verdienen. Cocaïne wordt getolereerd zolang het maar niet te opzichtig gebeurt. Want alle discobezoekers bij de entree van een disco fouilleren is volgens menig uitbater ondoenlijk. Zolang iedereen zich maar aan de ongeschreven regels houdt. En wie zoveel ‘witte gezelligheid’ niet meer aan kan, moet zich maar gewoon een poosje niet meer laten zien.

De schijn van een lijn of gecontroleerd gebruik?
Eind jaren tachtig krijgt cocaïne echter een steeds slechtere reputatie. Sommige notoire snuivers van het eerste uur kwamen na de eerste euforische periode in de problemen; naast de soms compulsieve snuifdriften waren die ook financieel van aard. Lang niet voor iedereen was de grens tussen recreatief snuiven en avonden lang doorsnuiven meer even helder. Dat kwam duidelijk naar voren in een kleinschalige, kwalitatieve studie die in 1987 werd gedaan onder Amsterdamse cocaïnegebruikers en enkele niet-gebruikende vrienden (Van Hunnik, 1989). Uit de observaties en interviews komt een ander beeld naar voren dan de van de media bekende hedonistische cocaïne-uitspattingen van gefortuneerde snuivers. De jonge snuivers – 18-25 jaar, in meerderheid afkomstig uit de lagere sociale milieus en werkloos – waarderen cocaïne vooral vanwege de high, de kick en helderheid, evenals de mogelijkheid om het te combineren met hasj en alcohol. Het discoleven op cocaïne verlengt en verlevendigt de roes en je kunt je er ook ‘lekker geil’ van gaan voelen. De jonge snuivers zeggen dat er altijd wel een paar verkopers in disco’s rondlopen en dat er zonder sancties in de toiletten gesnoven wordt. Vanwege de hoge prijs worden er ook pakjes van een kwart gram verkocht. Het ‘geheimzinnige gedoe’ en het ritueel van spiegeltje en rietje ervaren de snuivers als spannend – al denkt de soms lange rij wachtenden bij het toilet daar vaak anders over. De niet-snuivers uit de vriendenkring vinden dat je met snuivers geen normaal gesprek meer kunt voeren. Of zoals een meisje zegt: “Ze gaan de goot in, terwijl ze denken dat ze in het hemelse paradijs zitten” (Van Hunnik, 1989:502). Tegen deze achtergrond start de preventieafdeling van De Jellinek aan het eind van de jaren tachtig een voorlichtingscampagne met slogans als: ‘Coke de witte sloper’ en ‘De schijn van een lijn’.

Foto: Jan Carel Warffemius. Disco de Trut. Zondag 7 mei 1989

Foto: Jan Carel Warffemius. Disco de Trut. Zondag 7 mei 1989

Tegelijkertijd verricht Peter Cohen – tevens coördinator van het Amsterdamse onderzoeksprogramma – het eerste omvangrijke empirische onderzoek naar ‘cocaïnegebruik in niet-deviante subculturen’ (Cohen, 1989; Cohen & Sas, 1995). Er worden 160 Amsterdammers geïnterviewd die ten minste 25 keer cocaïne hebben gebruikt. Straatjunks, prostituees, hosselaars, et cetera vallen buiten de studie. Tweederde van de geïnterviewden, met een gemiddelde leeftijd van ruim dertig jaar, neemt minder dan een halve gram cocaïne per week (die volgens de respondenten in 1987 gemiddeld 180 gulden kost). Ruim driekwart rapporteert tijdens hun gebruikerscarrière een abstinentiefase. Cocaïne wordt vooral gebruikt in goed gezelschap of in de vriendenkring tijdens het stappen. Snuiven op het werk of tijdens de studie komt slechts sporadisch voor. Tegelijkertijd ervaart ruim driekwart soms een hunkering naar cocaïne en ruim een derde geeft aan in hun gebruikscarrière een periode van ‘obsessie’ voor cocaïne te hebben gekend. De hunkering naar cocaïne is het grootst wanneer het middel in de nabije omgeving aanwezig is. Alcohol speelt een belangrijke rol en wordt het meest gecombineerd met cocaïne. Ongeveer één op de drie heeft zich wel eens met criminele activiteiten ingelaten; daarvan blijft de helft over als handelsactiviteiten rond cocaïne niet worden meegerekend.

Terugblik en een nieuwe tijdgeest
Eind 1987 wordt voor het eerst een grootschalige enquête naar het gebruik van legale en illegale drugs gehouden middels een representatieve steekproef onder de Amsterdamse bevolking (Sandwijk et al., 1988). Uit de cijfers blijkt dat bijna een kwart van de Amsterdammers van 16 jaar en ouder ooit wel eens cannabis had gebruikt (23.6%), een stuk minder wel eens cocaïne (5.8%), nog iets minder ooit amfetamine (4.6%) en ten slotte LSD (2.8%). De cijfers voor recent gebruik (laatste jaar) liggen beduidend lager en die voor huidig gebruik (laatste maand) nog lager. De cijfers laten zien dat cocaïne, in weerwil van spraakmakende mediareportages en verhalen over overvloedig gebruik in het Amsterdamse nachtleven, feitelijk een door een relatief kleine groep gebruikt genotmiddel was. Slechts 0.6% rapporteerde de laatste maand nog cocaïne te hebben genomen. Zelfs binnen de leeftijdsgroep van twintigers en dertigers, die met ruim 10% het vaakst ooit wel eens cocaïne had genomen, lag het recente gebruik rond 3% en het huidige gebruik rond 1%. De cijfers relativeren ook het yuppie en jetset imago van cocaïne; weliswaar stijgt de ervaring met cocaïne met het opleidingsniveau, maar zowel het ooit- als het recente en huidige gebruik was het hoogst bij respondenten met een laag inkomen en zonder werk. Hetzelfde geldt voor amfetamine.

De prevalentiecijfers schetsen niet alleen de actuele situatie van het middelengebruik, ze kunnen ook, althans tot op zekere hoogte, als basis dienen voor een reconstructie van de ontwikkelingen in drugsgebruik in voorgaande jaren. Bevestigen de cijfers het eerder geschetste trendbeeld, dat overwegend was gebaseerd op kwalitatieve bronnen en een enkele enquête onder selectieve groepen drugsgebruikers? Uit de bevolkingsenquête blijkt dat cannabisgebruik begon bij de vijftigers van 1987, met andere woorden de jonge generatie van de jaren zestig, en vervolgens in een stroomversnelling kwam bij de jongeren van de late jaren zeventig en de jaren tachtig. De opkomst van amfetamine begint zo te zien wat later, in de tweede helft van de jaren zestig en in de jaren zeventig. Dat sluit aan bij de bevindingen van Herman Cohen (1975). Ook bevestigen de prevalentiecijfers de eerder gesignaleerde piek (de ‘tweede speedgolf’) in de late jaren zeventig en begin jaren tachtig. Het ooit-gebruik van cocaïne lag in 1987 het hoogst bij de twintigers en dertigers, ofwel de jonge generatie van de jaren zeventig en tachtig. Ervan uitgaand dat er ook in 1987 al veertigers ervaring hadden met cocaïne, dan zou dit middel al eerder populair zijn geweest dan tot nu toe werd aangenomen. Toch is dat waarschijnlijk niet het geval geweest. Het eerste cocaïnegebruik vond namelijk op gemiddeld hogere leeftijd plaats dan het eerste amfetaminegebruik – en dan komen we toch weer uit in de jaren tachtig.[viii] Bovendien blijkt uit de Amsterdamse bevolkingssurvey van 1987 dat cocaïne bij twintigers toen amfetamine had ingehaald (Sandwijk et al., 1988).

Toen eind jaren tachtig punkrock, new wave en de kraakbeweging waren uitgeraasd, de economische crisis was bedwongen en de yuppen en beursjongens met hun nieuwe luxe pronkten, deed acid house vrij plotseling zijn intrede in Amsterdam. Het individualisme maakte plaats voor een ontluikend optimisme. Een nieuw feesttijdperk begon met wat housepioniers met historisch besef de ‘second summer of love’ zouden noemen.[ix] De trendsetters waren een mix van dj’s, homo’s, creatievelingen, alternatievelingen en voormalige Bhagwan-aanhangers; allemaal stappers die op eigen wijze intuïtief aanvoelden dat men op de drempel stond van een nieuw tijdperk. Alsof zij de nieuwe tijdgeest aanvoelden die door Berman (1982) treffend wordt geduid als historische signalen die collectief worden opgevangen en uitgestuurd en die samen de wolk vormen van alles wat ‘in de lucht hangt’ en zo de atmosfeer of de sensibiliteit van een tijdperk bepalen.

Toen de ‘elektronische revolutie’ uitbrak in Amsterdam – en andere grote Europese steden – was er sprake van een ongekende positieve mentaliteit. Het sombere en radicale zwart dat in de jaren tachtig tijdens demonstraties en oproeren overheerste, maakte op housefeesten plaats voor felle neonkleuren, sprankelende decors en psychedelische kleding. Tijdens de jaren tachtig werd het traangas op straat verruild voor rookmachines en stroboscopen op feesten in verlaten gebouwen. Tegelijkertijd broeide er van alles op het internationale politieke toneel: de Berlijnse muur viel, de economische crisis was overwonnen, Nelson Mandela werd eindelijk vrijgelaten – en we werden met zijn allen Europees voetbalkampioen.

Volgens de Amerikaanse cultuursocioloog Slater (1970) is elke revolutie niet zozeer een vernieuwing als wel een opbloei van latent sluimerende alternatieven. Dat er in Amsterdam iets sluimerde, mag waar zijn. Maar wat? En waarom werd het house en veroverde ecstacy zo plotseling het Amsterdamse uitgaansleven? In de Fizz – de opvolger van de Koer en één van de meest trendsettende Amsterdamse discotheken – leek dansen in 1987 bijna een taboe. Het was juist coolom tegen een pilaar te hangen en van afstand met gepaste verveling wazig rond te kijken. Dat een jaar later house en ecstasy een dansrevolutie zouden veroorzaken was toen ondenkbaar, zeker bij de overwegend witte en vaak ook nog eens voornamelijk mannelijke stappers. Illustratief voor de onverwachte opkomst van ecstasy was ook dat in de Amsterdamse bevolkingsenquête over middelengebruik nog helemaal geen vragen werden gesteld over ecstasy. In mei 1988 proclameerde dichter Arthur Lava uit de dichtersgroep ‘de maximalen’ in de RoXY een nieuwe periode van ongekend vitalisme: “Feest gaat het worden en niet zo’n klein beetje. Maximaal feest.” En Lava kreeg gelijk.

NOTEN
[i] De succesvolle ‘morele ondernemingen’ binnen het beschavingsoffensief leidden ondermeer tot de Drankwet (1881), het tippelverbod (1889), de verordening op de sluitingstijden (1892) en het algehele bordeelverbod (1897). Het waren vooral de gelegenheden van de lagere klassen die door de verordeningen werden getroffen, terwijl de burgerij, die feitelijk de aanstichter was van alles, van haar nachtleven kon blijven genieten, aangezien theaters en concertzalen geen strobreed in de weg werden gelegd en chique bordelen onder simpele dekmantels open bleven (Wevers, 2003).
[ii] Paradiso was een voormalig ‘verenigingsgebouw’ van de Vrije Gemeente, een protestantse geloofsgroep die zich in 1877 afscheidde van de Hervormde Kerk. Het gebouw werd in 1880 ingewijd en in januari 1965 vond de laatste kerkdienst plaats. In 1968 opende het ‘cosmisch ontspanningscentrum’ haar deuren (Lakeman, 2008).
Fantasio was net zo bekend als Paradiso, dat een dag later door dezelfde groep popliefhebbers
en artistiekelingen werd gekraakt. In 1969 werd de popclub omgevormd tot meditatiecentrum De Kosmos. Vanaf 1998 is er het Nationaal Pop Instituut gevestigd.
De Melkweg dankt zijn naam aan de melkfabriek die voordien in het pand was gevestigd. In 1983 werd er afscheid genomen van het hippie-imago door een ingrijpende modernisering van het interieur en het heffen van hogere toegangsprijzen. De huisdealer verdween in 1993 als laatste relikwie van de ‘oude’ Melkweg.
[iii] In een onderzoek van Leuw (1972) naar de aard en betekenis van drugsgebruik onder jeugdige toeristen (n=692) in het Vondelpark, blijkt driekwart ervaring te hebben met cannabis, een kwart met LSD en een tiende met amfetaminen.
[iv] Hierbij dient te worden opgemerkt dat er in de steekproef zowel recreatieve gebruikers zijn geïnterviewd als gebruikers met een persisterend gebruik dat zich op termijn ontwikkelt heeft tot een verslaving. In tegenstelling tot opium en LSD was amfetamine nog niet verboden.
[v] Opmerkelijk is dat amfetamine verder buiten beschouwing wordt gelaten.
[vi] Ten Hoopen (1999), alias King Acid, kreeg in 1965 als eerste LSD-tartraat in zijn bezit, die hij na een bewerking in vloeibare vorm op suikerklontjes druppelde en verkocht of cadeau deed binnen de Amsterdamse scene.
[vii] Deze leeftijdsgroep komt nagenoeg overeen met de protestgeneratie waarvan in de regel wordt aangenomen dat haar leden tussen 1945 en 1955 zijn geboren (Becker, 1997). Maar zij overlapt ook deels de ‘verloren generatie’ of de ‘no-future generatie’ die geboren is tussen 1955 en 1970 en tot de late babyboom wordt gerekend. Kenmerkend voor de verloren generatie is dat zij een aanzienlijk deel van hun formatieve periode tijdens de economische recessie van 1975-1985 hebben doorgebracht (Becker, 1997).
[viii] Voor amfetamine lag de piek van het eerste gebruik bij 18-24 jaar, voor cocaïne bij 20-29 jaar.
[ix] De ‘first summer of love’ ontstond in 1967 toen 100.000 jongeren richting de Haight-Ashbury, een wijk in San Francisco, trokken. Hier ontstond een ‘melting pot’ van culturele en politieke rebellie en werd er onder andere ook geëxperimenteerd met psycho-actieve middelen tijdens muziekconcerten, festivals en hippiegatherings (Perry, 2005).

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 5 + 3 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)



Ads by Google

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter


  • Ads by Google
  • Archives