De ideologie van de PVV ~ Hoofdstuk 3 – De Islam

No Comments yet

Islambestrijding, de oorsprong van de Staten-Generaal
De islam en de moslims komen veel voor in De schijn-élite van de valse munters. Ja, diezelfde moslims vormen zelfs de aanleiding tot het oprichten van de Staten-Generaal waar PVV’er Martin Bosma lid van is: ‘De Staten-Generaal is opgericht teneinde de islam te bestrijden’ (p. 327). Hij stelt in de Epiloog van zijn boek dat onze Volksvertegenwoordiging het licht zag omdat ‘onze stichter, Filips de Goede’, ‘als reactie op de val van Constantinopel (1453) de Eed bij de Fazant zweert, de plechtige afspraak de islam een halttoe te roepen en de stad te bevrijden van het juk van de islam’ (p. 327). Filips roept, aldus Bosma, de belangrijkste burgers vanzijn staten bij elkaar en op de eerste vergadering van de Staten-Generaal in Brugge in 1464 wordt dan de verdedigingsoorlog tegen de islam besproken. Ik denk dat weinigen (de interpretatievan) deze geschiedenis kennen. Onze Volksvertegenwoordiging staat blijkbaar in de traditie van de strijd tegen de islam en nu is ‘islambestrijding na eeuwen terug in het hart van de Staten-Generaal’ (p. 327).
Bosma verwijst voor zijn overwegingen naar bladzijde 99 van Nederland. De vaderlandse geschiedenis van de prehistorie tot nu van historicus Han van der Horst (2002). Van der Horst brengt een en ander als volgt onder woorden:

‘Op het eind van zijn leven – in 1464 – riep hij (Filips de Goede) in Brussel voor het eerst een vergadering bijeen met vertegenwoordigers van de staten uit al zijn landen, die dan ook werd aangeduid als Staten-Generaal.
Filips had zo’n bijeenkomst nodig om zijn beleid – het ging op zijn oude dag weer om de kruistocht – goed toe te lichten, zodat de staten van de afzonderlijke gebieden zonder veel slag of stoot akkoord zouden gaan met nieuwe belastingen.’

De pagina’s 97-105 van het boek van Van der Horst behandelen het leven van Filips de Goede, en naast het bovenstaand citaat worden de kruistochten op pp. 97-98 andermaal genoemd in verband met het leven van Filips de Goede:

‘Filips beleed de traditionele ridderidealen. Hij droomde openlijk over een kruistocht tegen de Turken die in de Balkan oprukten. Hij nam zo nu en dan zelfs zekere voorbereidingsmaatregelen.
Aan de andere kant liet de hertog er nimmer twijfel over bestaan dat deze bij uitstek christelijke daad alleen gesteld kon worden als zijn eigen landen niet langer bedreigd werden door vijanden in de omgeving. Zo kwam de kruistocht nooit van de grond. Maar het bleef een mooi verhaal dat de geesten bezig kon houden.’

Filips de Goede werd opgevolgd door zijn zoon Karel de Stoute. Van der Horst schrijft over de laatste (pp. 104-105):

‘Karel kon alleen maar verachting opbrengen voor het idealistisch gefantaseer over kruistochten waarmee Filips zijn bewind een ridderlijk tintje trachtte te geven’ (p. 105).

Het betoog van Van der Horst over leven en werken van Filips de Goede levert het beeld op van een vorst die, laverend tussen grootmachten Frankrijk, Engeland en de Duitse vorsten, er in de eerste plaats naar streefde om zijn Bourgondische rijk te vergroten met landen zoals Holland en Zeeland, vrede te brengen, ze van een centraal bestuur te voorzien en ze tot welvaart te brengen. Iets waar hij, aldus Van der Horst, redelijk goed in geslaagd is. Van der Horst stelt verder vast dat de kruistochtplannen van Filips nauwelijks serieus te nemen zijn. Ze waren meer een droom dan een hard politiek doel.

In haar dissertatie getiteld De kruistochtplannen van Philips den Goede beschrijft Johanna Dorina Hintzen (1918) de plannen die Filips zijn leven lang koesterde op kruistocht te gaan. Dat het er nooit van kwam, ligt vooral aan de machtsverhoudingen in die tijd. Filips kon niet zomaar in zijn eentje vertrekken. Hij had de Engelsen, Fransen en Duitsers nodig aan zijn zijde, al was het maar om zich ervan te vergewissen dat zij zijn landen niet zouden aanvallen zodra hij op weg was gegaan naar de oost. Dat viel nog lelijk tegen. Hintzen schrijft: ‘Frankrijk en Engeland zetten den (honderdjarige) oorlog voort, ondanks de bemoeiingen van den Paus en van Philips de Goede, en dachten niet aan een kruistocht’ (pp. 88-89). Daarom wendde Filips, ‘er was nog maar één kans, om de Turken tegen te houden’, aldus Hintzen (p. 89), zich tot de – Duitse – rijksdag in Regensburg die door de Duitse keizer Fredrik III speciaal bijeengeroepen was ‘om over een kruistocht te beraadslagen’ (p. 89). Dat beraad zou dan in april 1454 plaatsvinden, een jaar na de val van Constantinopel.
De Franse koning Karel VII was ook uitgenodigd maar verroerde geen vin. Het mocht allemaal dus niet baten. ‘Waarschijnlijk wel enigszins teleurgesteld door het geringe succes’ (p. 103) verliet Filips Regensburg, ‘geen zijner politieke doelen tenminste had hij bereikt’ (p. 103). Nooit zou hij op kruistocht gaan. Europa was veel te druk met zichzelf.

Zo ontstaat het beeld van een Europa dat wel moord en brand schreeuwde om de dreiging van de Turken, maar dat hopeloos verdeeld bleek om deze dreiging te weerstaan. Feitelijk heeft Bosma gelijk. De Staten-Generaal van toen en die van nu staan in het teken van de bestrijding van het islamitische gevaar, maar wel één die tot mislukken gedoemd was en zal zijn. Ik besef dat ik met deze uitspraak geen recht doe aan de geschiedenis, zij is slechts een persiflage op Bosma’s interpretatie ervan. Het moge daarom duidelijk zijn dat het uit de context halen van een enkele historische opmerking om je punt te maken alleszins aantrekkelijk is, maar dat eenvoudig naspeurwerk tot een heel wat complexer beeld leidt, dat afbreuk doet aan een eerder bereikte conclusie.

Het door Bosma aangehaalde verhaal van de Eed op de Fazant past in de geschetste geschiedenis. De Maesschalck (2008) beschrijft in zijn De Bourgondische vorsten 1315-1530 heel beeldend hoe deze dure eed gezworen werd in de stad Rijsel gedurende feestelijkheden die begonnen op 31 januari 1454 en tot minstens 17 februari van dat jaar duurden. Bij gelegenheid werd ‘een levende goudgekleurde fazant aangevoerd, waarop de hertog (Filips de Goede) de eed aflegde. Hij zwoer het kruis op te nemen en desnoods een duel met de Grote Turk aan te gaan.’ Maar, zo schrijft De Maesschalck, ‘in de goed voorbereide tekst had Filips zich wel ingedekt, want hij zou op kruistocht vertrekken “voor zover zijn landen in vrede en rust zouden leven” ’ (p. 152). Het zou er nooit van komen, de kruistocht van Filips de Goede.

Ik noemde het eerder al in de inleiding tot dit boek. Een tekst die Bosma een aantal malen citeert is Jesaja 5:20: ‘Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die van het duister licht maken en van het licht duisternis, van bitter zoet en van zoet bitter’. In het Hebreeuws staat deze tekst, ongetwijfeld als motto, aan het begin van het boek. Ik vind deze bijbeltekst daarom zo interessant omdat zij het over schrille tegenstellingen heeft. En niets is makkelijker in het leven om alles en iedereen in twee elkaar uitsluitende partijen te verdelen. Wat zoet is, is niet bitter en wat bitter is, is niet zoet. Licht en duisternis, zoet en bitter, die tegenstellingen zijn empirisch nog wel te onderbouwen.
Maar wat is kwaad en wat is goed? En dan hoor ik de stem van Wilders die in een Kamerdebat op 28 mei 2009 het volgende zei: ‘Alles relativeren ze (Wilders bedoelt de – linkse – elite) weg.

Goed en kwaad, logica en gezond verstand, het is één grote grijze streep geworden – zonder begin of eind’ (p. 293). Volgens Bosma en Wilders is het helder wat goed is, bijvoorbeeld het christendom, en wat kwaad, de islam. Maar ik herhaal de vraag: wat is goed en wat is kwaad? In het voorwoord tot het boek waarin Bosma de lezer heil wenst, Lectori Salutem, beschrijft hij de reis van zijn leven ‘met in het achterhoofd dat er vele wegen naar Rome leiden, maar altijd maar één weg naar Mekka’ (p. 11).
Het christendom, zie hoofdstuk twee van dit boek, onderscheidt zich door variatie (hoewel het doel hetzelfde is), maar de islam is ondeelbaar één. Licht of donker, bitter of zoet, goed of kwaad.
De islam is kwaad. Dat is de conclusie van Bosma en al weten we dat al uit het debat met de PVV, het is goed vast te stellen dat er van variatie, van kleur, van grijstinten, net als in het christendom, in de islam dus geen sprake is.

De islam is het kwaad
De islam, het kwaad, heeft zich in ons land genesteld en is er bovendien op uit het land te bezetten, net als indertijd Constantinopel. Langs welke lijnen redeneert Bosma om zijn punt te maken? Geen van de vele verwijzingen in het boek van Bosma over de islam, moslims of islam- of moslimgerelateerde begrippen is ook maar enigszins positief van karakter. Werd de emancipatie van vrouwen en homo’s nog beschouwd als een van die zeldzaam positieve verworvenheden van die vreselijke jaren ’60 die zo door links gedomineerd werden (zie hoofdstuk vijf), de islam heeft werkelijk niets goeds gebracht.
Als het zo is dat er maar één weg naar Mekka leidt, dan is het ook zo dat de islam ‘niet kán veranderen. De islam tolereert geen kritische geesten; elke kritiek is onmiddellijk kritiek op Allah en dat levert tal van gevaren op voor de gezondheid’ (p. 173). Met dat laatste bedoelt Bosma dat je zomaar aan het mes geregen kan worden zoals Theo van Gogh overkwam.
‘De islam brengt ons onderling wantrouwen, zeker geen multiculturele verrijking’ (p. 321), is een andere vaststelling die Bosma doet. In het debat over de islam komt ook het begrip takkiya voor. Dat staat voor de mogelijkheid dat een moslim zijn ware religie verhult omdat hij zich in een niet-moslim omgeving bedreigd weet. Bosma komt tot een andere definitie: ‘Takkiya betekent letterlijk “het ware doel verbergen”: de islam moedigt aan te liegen over de ware bedoelingen als de intentie is de islam te versterken’ (p.176). Strothmann (1974) definieert takkiya als ‘de dispensatie die men krijgt om de verplichtingen van de religie niet uit te oefenen in gevallen van dwang of dreiging gewond te raken’ (mijn vertaling). In geval van dreiging mogen moslims hun geloof verbergen. En de grote vraag is natuurlijk wat onder dreiging wordt verstaan. Takkiya is ook wat mij betreft een ongelukkig concept en het versterkt het wantrouwen in moslims en de islam [7].

Maar de relatie leggen tussen takkiya en bewust liegen over de ware bedoelingen is een brug te ver en bovendien klopt het gewoon niet. Verder zouden moslims het in Nederland met de gehoorzaamheid aan de staat niet zo nauw nemen:
‘In de As-Soennahmoskee in Den Haag verkondigt de imam luidkeels dat de gelovigen geen belasting moeten betalen aan de heidense Nederlandse overheid’ (p. 190). Voor het gemak wordt vergeten dat de overgrote meerderheid der moslims in Nederland gewoon zijn belastingen betaalt. ‘Voor hen (veel lokale “jeugd” uit Amsterdam-West) vertegenwoordigt hij (toen nog politie-inspecteur, nu PVV-Kamerlid Hero Brinkman) eerder een soort bezetter dan de Nederlandse zwaardmacht’ (p. 195).
Bosma komt dan toch nog met een heel voorzichtige relativering:
‘Het is daarom belangrijk steeds een onderscheid te maken tussen de aanhangers en de ideologie. Islamitische culturen zijn doordrenkt met de islamitische ideologie’ (p. 174), maar aan het einde van zijn boek luidt het eindoordeel: ‘Misschien dat de individuele moslims zich hier en daar aanpassen, de islam kan dat niet’ (p. 304).

Er staat in het hele boek geen positief woord over de bijdrage van moslims of mensen met een islamitische achtergrond, zelfs geen verwijzing naar de begenadigde naar eigen zeggen atheïstische schrijver Hafid Bouazza of gelauwerd auteur Abdelkader Benali.
En wat te denken van het initiatief van de Stichting Marokkaanse Nederlanders om homoseksualiteit bespreekbaar te maken in Marokkaanse kring8? De ondeugden van de moslims zijn er vele, maar de deugden ook. Maar dat levert te veel grijstinten op en dat past niet in het goed-en-kwaad discours van Jesaja 5:20.

De islam en het nazisme Bosma voert in zijn boek (pp. 251-253) de volstrekt verwerpelijke figuur van de moefti van Jeruzalem Haj Amien al Hoesseini (± 1893-1974) ten tonele, die gedurende een aantal oorlogsjaren Hitlers gast in Berlijn was. Schaamteloos sprak de moefti zijn bewondering uit voor de genocidepolitiek van de nazi’s. Bosma citeert over de moefti onder andere uit het werk van Emerson Vermaat (2010), Heinrich Himmler en de cultus van de dood. De moefti was een verschrikkelijke jodenhater met bloed aan zijn handen. Zo maakt Bosma melding van het bezoek van de moefti aan vernietigingskamp Auschwitz, ‘waar hij de bewakers oproept nog efficiënter te werk te gaan’ (p. 253). Simon Wiesenthal (geciteerd door Schechtman, 1965; noot p. 160) meldt dat de moefti zowel Auschwitz als vernietigingskamp Maidanek bezocht heeft. Verder is het zo dat de moefti er hoogstpersoonlijk zorg voor gedragen heeft dat 4.000 Joodse kinderen niet via de Balkan naar Palestina getransporteerd zouden worden, maar gedeporteerd werden naar vernietigingskampen (Schechtman, 1965, pp. 157-159).
De moefti vluchtte op het einde van de oorlog naar Zwitserland, dat hem direct uitzette naar Frankrijk. Ongestoord kon hij evenwel geruime tijd in Parijs verblijven. Zowel de Fransen als de Engelsen hadden weet van het bloed dat aan zijn handen kleefde. Maar beide landen deden niets. Ze achtten hun politiek-strategische belangen in het Midden-Oosten te groot om de moefti, die in hetzelfde gebied op grote steun kon rekenen, lastig te vallen.
Uiteindelijk wist de moefti in 1946 uit Frankrijk weg te komen naar Egypte. Schechtman (1965, p. 167-199) beschrijft dit voor de geallieerden ontluisterende verhaal in zijn biografie van de moefti, die uiteindelijk in 1974 zou overlijden. Bosma maakt geen melding van het laakbare gedrag van de Engelsen en Fransen.

Door over de relatie te vertellen tussen de moefti en de nazi’s probeert Bosma andermaal aan te tonen hoe onzalig de islam en de moslims zijn. Het boek van Vermaat, waar Bosma uitciteert, bevat evenwel ook voorbeelden die in het voordeelvan de moslims spreken, maar die Bosma niet noemt. ‘Zeker niet alle moslims waren op de hand van de nazi’s’ (p.137).
Vermaat verwijst naar de Marokkaanse vorst Mohammed V die het nadrukkelijk voor zijn joodse onderdanen opnam tegen Vichy-Frankrijk. En de Tunesische leider Ahmed Pasha Bey en diens neef en opvolger Moncef Bey. ‘Beiden deden alles wat in hun vermogen lag om de Joden tegen “Vichy” en later tegen de Duitsers zelf te beschermen’ (p. 137). Het meest sprekende voorbeeld is dat er in de ondergrondse ruimten van de grote moskee in Parijs van de Algerijnse religieuze leider Si Kaddour Benghabrit tijdens de Duitse bezetting vervolgde Joden en verzetsstrijders onderdak vonden. De moskee verstrekte certificaten aan tenminste honderd Joden als waren zij moslims. Beiden zijn immers besneden (p. 137).

Een ander voorbeeld dat Bosma geeft van die onzalige relatie tussen het nazisme en de islam zijn de islamitische SS-divisies die bestonden uit ‘halal etende moslims in speciale islamitische SS-uniformen, met als hoofdbedekking een fez met de nationaal socialistische adelaar’ (p. 253). Bosma verwijst met name naar de Handschar-divisie, de dertiende Berg Waffen-SS divisie, die in 1943 opgericht werd in de nazi-vazalstaat Kroatië (Lepre, 1997). Het verhaal van deze divisie is opmerkelijk en weinig bekend. Lepre (1997) beschrijft de vorming en belevenissen van genoemde divisie. Heinrich Himmler, ‘Reichsführer-SS’, was in het bijzonder geïnteresseerd in de islam. Hij bewonderde de doodsverachting van de moslims (Lepre, 1997, p. 17). Bovendien hoopte de SS met de vorming van een moslim SS-divisie ook een gebaar te maken naar de ‘moslims overal ter wereld, 350 miljoen in getal die beslissend zijn in de strijd tegen het Britse Rijk’ (Lepre, 1997, p. 17). De bovengenoemde moefti van Jeruzalem bemoeide zich ook met de vorming van de SS-divisie en bezocht daartoe Kroatië van 30 maart tot 14 april 1943.
Hij riep jonge moslimmannen op zich aan te melden voor de divisie (Lepre, pp. 31-35). De Kroatische despoot Ante Palevic´ had echter weinig op met moslims en zag helemaal geen brood in een aparte moslim SS-divisie. Hij drong erop aan dat ook katholieke Kroaten er deel van uit zouden maken. Himmler kon zeer tegen zijn zin uiteindelijk niet anders dan daarin toestemmen met een verhouding van één katholiek op tien moslims (Lepre, p. 35). Zo kon het dus zijn dat de Handschar-divisie weliswaar voor de overgrote meerderheid uit moslims bestond, maar ook uit katholieken.

Overigens, en ook dat noemt Bosma niet, waren er in Nederland 20.000 jongemannen die zich aansloten bij de Waffen-SS (Van Roekel, 2011). De conclusie is dat vergelijkingen maken met het nazisme en zijn uitwassen uiteindelijk altijd negatief uitvallen voor alle partijen. Exclusief moslims met nazi’s verbinden roept honderden vergelijkbare onzalige verbintenissen op. En er staan even zoveel voorbeelden tegenover. Zo zal het degene die de moeite neemt begraafplaatsen van geallieerde soldaten te bezoeken opvallen dat er naast grafstenen voor christenen (kruis) en joden (davidsster) ook grafstenen staan met de islamitische halve maan voor de moslimsoldaten [9]. Zij stierven mede voor onze vrijheid.

De islamisering van Nederland
De islam is het kwaad en het kan dan ook niet anders dan dat Bosma dit kwaad als een bedreiging ziet dat hij wil bestrijden. De verwijzingen in het boek naar de islamisering van onze samenleving zijn zo mogelijk nog talrijker dan de verwijzingen naar de islam en moslims. Kern van dit denken wordt verwoord in het volgende citaat: ‘Op lange termijn bestaat de levensgrote mogelijkheid van de invoering van de sharia in (gedeelten van) Nederland. Op middellange termijn zal het onderwerp islamisering een verlammende werking hebben op het politieke bestel’ (p. 119). Bosma verwacht dat op termijn de sharia in (gedeelten van) Nederland ingevoerd zal worden en katalysator van dit proces is de islamisering. Het gebruik van de term invoering wekt de indruk dat een en ander via processen van besluitvorming gaat plaatsvinden en de term islamisering wordt gebruikt om aan te geven dat de geesten rijp gemaakt dienen te worden voor die uiteindelijke invoering. Ik vind het gebruik van het tussen haakjes staande zinsdeel ‘gedeelten van’ echter verwarrend. Het wekt de indruk dat de sharia dus toch niet overal in Nederland ingevoerd zal gaan worden. Wellicht dan alleen maar op informele wijze in gebieden waar veel moslims wonen?

Of in de woorden van Bosma: ‘Dit binnen de grotere driehoek Malmö, Marseille, Manchester, waar de islam zich het sterkst zal laten gelden. De grenzen van die enclaves zullen niet vreedzaam zijn’ (p. 149). Dus de sharia wordt vooral ingevoerd in die gebieden waar moslims dominant aanwezig zijn? De teksten van Bosma blijven op die twee gedachten hinken. Andere citaten uit zijn boek wekken de indruk dat de invoering van de sharia een zaak is die op nationaal niveau wordt bewerkstelligd. Een denkfout die als gevolg daarvan veel gemaakt wordt, is dat een landelijke islamitische meerderheid nodig zou zijn voordat er sprake is van de invoering van de sharia (p. 147). Weer maakt Bosma de vergelijking met de Tweede Wereldoorlog: ‘Een kleine goed gemotiveerde minderheid kan een heel eind komen. Dat zagen we bij de machtsovername door Nieuw Links van de PvdA, bij de communisten die de universiteiten overnamen, en bij extreem links dat de macht greep in het Duitsland van 1933’ (p. 321).

Het zou dus zo maar kunnen dat het middels centrale democratische weg tot invoering van de sharia komt. Dat doen de moslims overigens niet op eigen kracht. Zij worden daarbij krachtig geholpen door links: ‘Ook hoeft de steun voor de invoering van de sharia niet noodzakelijk afkomstig te zijn van moslims. De dominante factor die bepaalt of de sharia in Nederland wordt ingevoerd, is niet zozeer de oemma (de internationale islamitische gemeenschap), maar het is de machtige linkse kerk, met zijn cruciale machtsposities’ (p.148). En zo wordt de uitspraak dat ‘een kleine, fanatieke groep een heel eind kan komen’ (p. 148) gerelativeerd want die kleine, fanatieke groep heeft blijkbaar wel de steun nodig van ‘de dominante factor’ links die thans hoe dan ook een fors aandeel zetels in het parlement bezit. De islam als onafhankelijke factie is blijkbaar niet zo machtig als Bosma het doet voorkomen.

Niettemin gaat aan het proces van de invoering van de sharia, of dit nu informeel plaats vindt in bepaalde gebieden of formeel landelijk, de islamisering van het land vooraf. Van de term islamisering geeft Bosma nergens een definitie maar de volgende citaten geven aan waar hij aan denkt: ‘Dit klimaat van zelfcensuur, terugtrekken en angst is in wezen de islamisering van de meningsvorming. Want het betekent dat via een achterdeurtje de normen en waarden van de islam de discussie bepalen’ (p.129) en ‘De grenzen van wat je zegt in Nederland worden niet meer bepaald door de democratisch vastgestelde wetten, maar door de afweging of je door het uitspreken ervan kans maakt ritueel geslacht te worden langs de openbare weg’ (p. 130; zie ook boven). Stelling van Bosma is dat het gedachtegoed van de islam (in zijn meest orthodoxe vorm, er is immers maar één weg die naar Mekka leidt) inmiddels het denken en van daaruit het handelen van politici, beleidsmakers, journaille en media anchormannen en -vrouwen bepaalt. Vooral niets zeggen dat onze islamitische landgenoten kan kwetsen en hen zo veel als maar mogelijk tegemoet komen in hun wensen.
Doe je dat niet, dan loop je de kans gedood te worden zoals Theo van Gogh overkwam. Volgens Bosma is het zo dat ‘de islam al een beetje heeft gewonnen. Dhimmitude heeft zijn intrede gedaan’ (p.121). Dhimmitude [10] is een recent gemunte term, die afgeleid is van het Arabische woord dhimma, waarmee niet-moslims, met name joden en christenen, bedoeld worden die in een moslimsamenleving wonen en die het is toegestaan hun geloof te beleven onder bepaalde voorwaarden en restricties. Ze zijn tweederangsburgers (MacDonald, 1974). De laatste staan in dienst van de eerste. Bosma geeft betrekkelijk weinig voorbeelden van die islamisering. Wel noemt hij het feit dat cabaretiers wel grappen maken over het christendom, maar nauwelijks over de islam. ‘We begrijpen nu ook waarom de dappere linkse cabaretiers decennialang grappen maakten over het christendom, maar nooit iets kwaads durven te zeggen over de islam’ (p. 298).

Ze zijn bang de moslims te beledigen en de gevolgen daarvan te ondervinden. Overigens valt het mij dan weer op dat er indertijd in The Daily Show van Jan Jaap van der Wal [11] stukjes te zien zijn waarin moslims als wijlen Osama bin Laden op de hak werden genomen, ook wordt er ernstig de draak gestoken met moslims in PowNews van PowNed en je ziet ook steeds meer korte items van Lucky TV, de uitsmijter van het populaire televisieprogramma De Wereld Draait Door over islamgerelateerde onderwerpen. Zou deze toegenomen vrijheid te danken zijn aan de sterkere machtspositie van de PVV en haar gedoogsteun aan de regering? Het zou zo maar kunnen. Immers, ‘een kleine goed gemotiveerde minderheid kan een heel eind komen’ (p.321). Over de voortgaande PVV-isering van de samenleving verwijs ik naar hoofdstuk negen van dit boek.

Besluit
De tekst van Jesaja die de wereld opdeelt in twee elkaar uitsluitende delen sluit prima aan bij het denken van Bosma: het christendom is goed, de islam is kwaad. Zou je je politiek op deze manier van denken baseren, dan valt er veel te vrezen voor de toekomst van moslims in dit land. Want je kunt er niets aan doen als je zwart bent en niet wit: je bent nooit een volwaardige gesprekspartner en je zult het ook nooit worden. Of valt er nog wat te hopen voor de moslims op basis van dit laatste citaat van Bosma: ‘Eerst maar eens zorgen voor heldere standpunten, en daarna kijken wie er mee wil doen. Water kan er altijd nog wel bij; eerst maar eens zorgen dat de wijn op smaak komt’ (p. 30).
De wijn is op smaak, de PVV is gevestigd, het wachten is op het water.
Maar wie doet er nu saai water bij kostelijke wijn, zeker als het niet meer hoeft? Ik vrees dat dat nooit zal gebeuren.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 20 + 19 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Archives