Jean Rhys en Ed. de Néve – Een dubbelportret

Jean Rhys (1890 – 1979)

I.  Jean Rhys
Tot de meer opmerkelijke literaire comebacks van de vorige eeuw behoort die van Jean Rhys, de Engelse schrijfster die in 1927 debuteerde, maar pas in 1966 naam maakte. Over haar leven is weinig bekend en wat bekend is, is vaak verkeerd.
Ella Gwendolyn Williams, zoals haar eigenlijke naam luidt, werd op 24 augustus 1894 geboren in Roseau op Dominica, in West-Indië, als dochter van een arts uit Wales en een Creoolse. Dat is niet – zoals vaak gedacht wordt – een kleurlinge, maar een blanke geboren in de koloniën. Toen Jean Rhys het omslag zag van de Nederlandse vertaling van Wide Sargasso Sea, waarop een Surinaamse in klederdracht staat afgebeeld, zei ze: ‘What’s that woman with that funny hat doing on a book of mine?

Haar moeder was een strenge Schotse vrouw met de meisjesnaam Lockhart, afkomstig uit een oud geslacht, dat zich al twee generaties als planters in West-Indië had gevestigd. Maar ze was ’zwaar’ gebleven, ze kon niet Engelser.
Ella is op één na de jongste van drie meisjes en twee jongens. Het was de gewoonte de dochters naar een finishing school in Engeland te sturen, maar Ella wil toneelspeler worden en haar vader steunt haar in dat wilde plan. Op zestienjarige leeftijd vertrekt ze naar een tante in Engeland, maar al na een paar maanden sterft haar vader en is er geen geld meer om de studie voort te zetten.

Ze verwisselt de theorie voor de praktijk en trekt rond met een music-hall gezelschap. Een ervaring die later zijn neerslag zal vinden in de roman Voyage in the dark (1934). Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog ontmoet ze Jean Lenglet, geboren in Tilburg als zoon van een Franse vader en een Nederlandse moeder, die op zijn zeventiende naar Parijs getrokken was waar hij schilderlessen volgde aan de academie en ‘s avonds zong in de cabarets Le Chat Noir en Le Lapin Agile op Montmartre. Later zou hij onder de naam Edouard de Nève een aantal boeken publiceren.
Ze trouwen in 1919 en wonen korte tijd in Den Haag, maar zijn werk als secretaris en tolk bij de Vredescommissie brengt hen onder meer naar Boedapest en Wenen. Het is een gelukkige tijd. Ze hebben geld, Ella wordt bewonderend la poupée de porcelaine de Saxe, het poppetje van Saksisch porcelein, genoemd en herinnert zich deze periode later in vrolijke verhalen.
Op weg van Boedapest naar Parijs wordt in Ukkel een dochter geboren, Maryvonne. Ze is niet blij met het kind: ‘damned baby’. Al eerder had ze een zoontje gekregen, dat na een paar weken aan longontsteking overleden was.

In de jaren twintig oefende Parijs een grote aantrekkingskracht uit op jonge Engelse en Amerikaanse kunstenaars. Ella en Jean vestigen zich op la Rive Gauche, de linker Seine-oever. De Engelse schrijver en editor Ford Madox Ford placht in die dagen als een kloek jonge artistieke talenten te bewaken en hulp op allerlei gebied te offreren. Zo ontmoet hij ook Jean Rhys wanneer haar huwelijk is stukgelopen. Haar hele bezit bestaat uit “een jurk, een paar schoenen en het manuscript van een onpubliceerbare roman”. Ze vindt onderdak op 84 Rue Notre Dame des Champs, in het huis van Ford en zijn tweede vrouw, Stella Bowen. Ford geeft haar literair en Stella cosmetisch advies, maar het blijft niet bij beleefdheidsvragen.

Stella Bowen: “Ik was ongemeen langzaam in de ontdekking dat zij en Ford verliefd waren. (..) Ik was gecast in de rol van de gelukkige echtgenote die alle kaarten in handen hield, en het meisje in die van de arme, moedige en wanhopige bedelares die voorbestemd was teleurgesteld te worden door de bourgeoisie. Ik leerde welk een machtige wapens zwakheid en pathos waren en hoe sterk de positie is van iemand die niets te verliezen heeft.”
De verhouding duurt niet lang, maar vindt zijn literaire neerslag in twee romans van Jean Rhys. Ford en Bowen zijn geportretteerd als het ‘ruimdenkende’ echtpaar Heidler in Quartet (1927) en ook De Nève is aanwezig in de persoon van Stephan. De periode na de relatie is verwerkt tot After leaving Mr. Mackenzie (1930).
Dezelfde situatie als in Quartet wordt beschreven in een boek van De Nève, In de strik (1932), maar dan vanuit het perspectief van Stephan die in de gevangenis zit. Ford  – wiens echte naam Hueffer is – wordt opgevoerd als Hübner. Henriëtte van Eyk, de tweede vrouw van De Nève/Lenglet: “Stephan werd gearresteerd wegens oplichterij. Maar in werkelijkheid, vertelde hij me, is hij gearresteerd omdat hij probeerde Ford te vermoorden. Hij was ontzettend jaloers.”

Ford publiceert enkele verhalen van Jean Rhys in zijn Transatlantic Review en schrijft in een voorwoord bij haar debuut, de verhalenbundel The Left Bank and Other Stories (1927): “Miss Rhys’s work seems to me to be very good, so vivid, so extraordinarily distinguished by the rendering of passion, and so true, that I wish to be connected with it. ”

Ze komt in contact met James Joyce, Ezra Pound en Ernest Hemingway, maar zo heel belangrijk zal de rol die ze in Montparnasse speelde, niet geweest zijn. In geen enkele van de talloze studies en memoires over die tijd wordt ze ook maar genoemd. Haar laatste jaren in Parijs zijn ongelukkig, met vaak alleen de fles als gezelschap. Aan het eind van de jaren twintig keert ze terug naar Engeland.
Tot 1933 wil Jean Lenglet niet van een scheiding weten, om precies te zijn tot hij Henriëtte van Eyk leert kennen. Van Eyk: “Toen we trouwden zou Maryvonne bij haar moeder blijven, maar dat ging niet, omdat die zo vreselijk dronk. En als ze dronk, werd ze zo agressief. Maryvonne had geen leven, ze kreeg niet regelmatig te eten. Toen is ze weer naar Nederland gehaald, en werd op een katholieke kostschool gedaan.”

Read more

Bookmark and Share

Octave Mirbeau: het gedroomde reisverslag

Een Charron Girardot & Voigt uit 1903

In 1907 publiceerde de Franse schrijver Octave Mirbeau – zie Rozenberg Quarterly 1 aug. j.l. – een boek getiteld La 628-E8. Het is een merkwaardig boek, niet alleen vanwege de raadselachtige titel, ook door de inhoud. 628E8 is het nummerbord van een auto, een Charron Girardot & Voigt uit 1903, waarmee Octave Mirbeau rond 1905 een aantal reizen door het noorden van Frankrijk, België, Nederland en Duitsland gemaakt zou hebben. Het boek oogt op het eerste gezicht als een reisverslag, maar is het dat wel? Waarom wijkt dit boek qua inhoud zo af van het andere werk van Mirbeau? Wat probeert hij de lezer met dit boek duidelijk te maken?

Ongelijkheid
Het Dagboek van een kamermeisje van Octave Mirbeau zal voor veel lezers geen onbekende titel zijn, en anders is men misschien bekend met een van de vier filmversies van het boek. De strekking van dat boek is een aanklacht tegen de sociale ongelijkheid in de samenleving, vormgegeven in dagboekfragmenten van het kamermeisje Célestine. Vanuit haar ondergeschikte positie weet zij zich op de maatschappelijke ladder op te werken tot café-eigenaresse. Eenmaal daar, dan blijkt haar houding tot haar ondergeschikten nauwelijks anders dan die van haar vroegere werkgevers. Zo zie je maar, de kans is klein is dat in maatschappelijke verhoudingen wezenlijk iets kan veranderen, stelt Mirbeau.

Tekening door Pierre Bonnard in La 628­E8

Collagetechniek
Dagboek van een kamermeisje was een rechtlijnige roman volgens de toen heersende literaire traditie, het eerder verschenen Le jardin des supplices (De tuin der folteringen, 1899) was dat zeker niet. Mirbeau plaatste hierin fragmenten in een verschillende schrijfstijl, met verschillende verhaallijnen in een niet-chronologische volgorde. In het boek levert hij kritiek op de Franse binnenlandse en buitenlandse politiek, kolonisatie en de Europese zogenaamde beschavingsvormen.
In La 628E8 past Mirbeau een soortgelijke collagetechniek toe. Ogenschijnlijk is het boek een reisverslag: Mirbeau maakt met een auto met chauffeurmonteur diverse reizen door Frankrijk, Nederland, België en Duitsland. Op niet-chronologische wijze beschrijft hij belevenissen en landschappen, steden, dorpen en personen. Als passagier vanaf de achterbank en tegelijk als deelnemer aan de reis levert hij commentaar op een breed scala aan onderwerpen. Hij schetst de leef-en werkomstandigheden van de arbeidende bevolking in plekken die hij doorkruist, hij reageert op sociale ongelijkheid, bekritiseert het militarisme en fulmineert tegen de kerk en haar instituties en tegen de Europese vorstenhuizen.

Satire
Tegelijkertijd pleit hij voor technische vernieuwingen die de mensheid vooruit zullen helpen in de hoop dat deze een betere wereld dichterbij brengen. Nu eens geeft hij zijn mening, dan weer laat hij iemand die hij ontmoet de kritiek leveren. Aan de ene kant komt hij onomwonden voor zijn opvatting uit, dan weer verbergt hij deze subtiel onder een laagje cynisme of hij draait zijn kritiek juist om en verpakt deze als satire, waarmee hij de lezer op het verkeerde been zet.
Maar is het boek ook werkelijk een reisreportage? Mirbeau zelf schrijft: ‘Maar is het wel een verslag? Is het zelfs wel een reis? Zijn het niet eerder dromen, dagdromen, herinneringen, indrukken en verhalen die niets te maken hebben met de bezochte landen maar die eenvoudigweg in mij werden opgeroepen door het gezicht van iemand die ik ontmoette, een landschap dat ik vluchtig zag of een stem die ik dacht te horen zingen of huilen in de wind?’
Inderdaad levert het verslag geen enkel bewijs dat de verhaalde reizen ook daadwerkelijk zo hebben plaatsgevonden. Mirbeaus verslag kan net zo goed met een Baedeckergids als bron, in zijn studeerkamer tot stand zijn gekomen. Koos hij bewust voor deze literaire vorm omdat de traditionele romanvorm hem te weinig mogelijkheden bood? Wellicht kon hij zo beter aandacht schenken aan zijn maatschappijkritiek, aan observaties van sociale omstandigheden en zijn hoop op verandering van de samenleving.

Religieuze walm
Het commentaar bij zijn waarnemingen is soms geraffineerd, vaak met enige nuance, dan weer recht voor z’n raap, gekoppeld aan gebeurtenissen die een reiziger mee zou kunnen maken. Zijn kritiek op sociale omstandigheden verpakt hij in woorden waaruit een duidelijke sympathie blijkt voor werkvolk als arbeiders, dienstmeiden en bedienend personeel. Wanneer zijn chauffeur het niet zo nauw neemt met het geld van zijn opdrachtgever als hij moet tanken en iets in eigen zak steekt, doet Mirbeau daar niet moeilijk over.
Soms stapt hij in de huid van de heersende elite: hij noemt Frankrijk het land van ‘vooruitgang, edelmoedigheid en vernuft’. De cynische ondertoon is duidelijk want zijn klaagzang over de slechte wegen en de armoedige dorpen en steden in het noorden van Frankrijk, is de weerklank van de werkelijkheid.
België vindt hij niet veel beter. In dat land is sprake van een ‘verziekende, religieuze walm’ die ‘een sombere schaduw werpt’ over het land. Het katholicisme noemt hij een ‘koppig geloof’ waarmee hij zijn afkeer van de kerk laat blijken en Brussel vindt hij een afgrijselijke stad. De Belgische koning leidt volgens hem aan grootheidswaanzin. En wat is er over van het België als arbeidersbolwerk dat opstand en verzet kende? Is het wellicht ingepakt door de als inquisitie opererende priesters en bisschoppen, zo vraagt Mirbeau zich af.

Cynische bespiegelingen
Zijn kritiek op vorstenhuizen en militarisme verpakt hij in een gesprek met een anonieme medereiziger in Duitsland. Hij laat deze fulmineren tegen keizer Wilhelm II, diens militarisme, grootheidswaanzin en afkeer van socialisten.
Andere onderwerpen behandelt hij meer bespiegelend. Opmerkelijk is bijvoorbeeld hoe hij over dieren schrijft. Aan de ene kant schetst hij een gemoedelijke sfeer waarbij dieren in de landerijen grazen, aan de andere kant vindt hij dat koeien, paarden en kippen toch wel dom en paniekerig reageren op het verschijnsel auto. Maar ja, dit is onontkoombaar, want is immers de auto niet het voorbeeld van de vooruitgang? Daar kan dus wel eens iets mis gaan.
Met dezelfde cynische ondertoon trekt hij die lijn door naar de mens. De auto symboliseert progressie en verbetering, en Mirbeau juicht bijna wanneer hij beschrijft hoe heerlijk het is ‘een beest’ te worden in een auto, landschappen aan je voorbij te zien flitsen, over wegen te zoeven, en onderdeel te zijn van snelheid. De mens verliest in een auto weliswaar ieder gevoel voor menselijkheid, maar dat is de consequentie van vooruitgang. Dat moet die domme plattelanders die deze stap vooruit niet accepteren, maar eens duidelijk gemaakt worden. Ze moeten niet zeuren. En wanneer die vooruitgang een mensenleven kost (in het boek sterft een meisje door een ongeluk met een auto), dan is dat sneu, maar zo nu en dan onvermijdelijk.

Vernieuwende kunstvormen
Mirbeau stond open voor radicale vernieuwing, voor positieve veranderingen. Dat blijkt uit zijn artikelen waarin hij zich een aanhanger van het anarchisme toont, maar al eerder uit zijn belangstelling voor vernieuwende kunst en cultuur, zoals het Franse expressionisme, voor het werk van schilders als Paul Signac, Pissaro en Van Gogh. Met het boek La 628E8 sluit hij zich aan bij de vernieuwing in de kunst rond de eeuwwisseling. Literatuur moest immers niet een behoudend, statisch karakter hebben, niet krampachtig vasthouden aan tradities vond hij, maar juist doorbrekend zijn en nieuwe vormen ontdekken. Zij moet andere richtingen aanboren en open staan voor andere kunstvormen. Mirbeau doet dat met La 628E8 door observaties van de dagelijkse werkelijkheid en een kritische maatschappijbeschouwing te vermengen. Niet in de vorm van een pamflet of een vlammend artikel, maar door dit subtiel als reisverslag te verpakken om zo een ander lezerspubliek te kunnen trekken. Hij speelde bovendien handig in op de in de negentiende eeuw ontstane belangstelling voor het (literaire) reisverslag.

Ontdekkingsreizen
In een periode van innovatieve ontdekkingen op het gebied van wetenschap en techniek en nieuwe richtingen in politiek, filosofie en cultuur, paste interesse voor andere landen, continenten en culturen. Er bleek vraag te zijn naar op papier gezette verslagen en beschrijvingen van reizen naar nauwelijks ontdekte streken en landen, maar ook naar dichter bij gelegen gebieden (bijv. Henry James, A Little Tour of France, 1884). Dit was voor het gemiddelde lezerspubliek onontgonnen terrein en vrijwel onbereikbaar vanwege de beperkte financiële middelen en de geringe reismogelijkheden in die tijd.
Zo schreef Goethe al in 1816 een verslag van een reis door Italië en al in de achttiende eeuw beschreven Samuel Johnson en James Boswell hun tochten door Schotland. In de negentiende eeuw verschenen serieuze verslagen van ontdekkingsreizen door Siberië, India, de Arabische landen en Afrika. Ook ontstond het fictieve reisverhaal, soms in de vorm van een (utopische) avonturenroman, zoals Gulliver’s Travels (1726) van Jonathan Swift dat al was. Ook een titel als Heart of Darkness (1902) van Joseph Conrad, werk van Robert Louis Stevenson en zelfs van Karl May passen in dit genre.

Avonturenverhalen
De tegelijkertijd toenemende frequente verschijning van goedkope lectuur, zoals populaire geïllustreerde tijdschriften waarin vaak sensationele reis- en avonturenverhalen werden opgenomen, zorgde voor een toename van het lezerspubliek. Met La 628E8 schaarde Mirbeau zich doelbewust onder de auteurs van het reisverhaalgenre. Zijn verslag heeft weliswaar geen opzienbarend karakter, maar precies daarom sloot het aan bij de dagelijkse werkelijkheid van lezers, die hij hoopte niet alleen enigszins in verwarring te brengen, maar toch zeker aan het denken te zetten.

Bronnen:
Een (gedeeltelijke) Nederlandse vertaling van La 628E8, met illustraties van de kunstenaar Pierre Bonnard verscheen als Bonnard, Schetsen van een reis. Uit het dagboek van Octave Mirbeau ‘La 628E8’. Met illustraties van Pierre Bonnard, Bloemendaal 1990.
Nummer 198 van het tijdschrift De AS (2017) is geheel aan Mirbeau gewijd.

Bookmark and Share

If The Fed Can Bail Out Wall Street, It Can Rescue Public Education

Prof.dr. Gerald Epstein

Public education in the U.S. has been under severe attack for many years now, thanks to the dominance of neoliberal thinking and policies across the societal spectrum. However, the coronavirus pandemic has sparked a new crisis in the nation’s public education system as a result of having created huge holes in school budgets, especially in high-poverty areas. Yet, there are ways to prevent the collapse of the public education system in the U.S., if there is a will to do so. And the rescue can come directly through the power of the Federal Reserve, according to leading progressive economist Gerald Epstein, professor of economics and co-director of the Political Economy Research Institute at the University of Massachusetts at Amherst. In this exclusive interview for Truthout, Epstein discusses how the COVID-19 crisis has exacerbated funding deficits for public education and how the Federal Reserve can step in to save schools.

C.J. Polychroniou: Is the crisis facing public education systems today simply a question of the fall-off in tax revenues on account of the pandemic?

Gerald Epstein: The shortfall is not due only to the fall-off in revenues, though that is a significant part of it. It is also because of the large extra costs that schools and universities will face to operate safely in the COVID world: the extra spacing, cleaning, masks, technology needs, and so on. No one knows exactly how much these extra costs will amount to, but various organizations have estimated them to be somewhere between $116 billion and $245 billion.

These immediate problems are made immeasurably worse in many school districts and for many colleges because of longstanding funding shortfalls facing public education, K-12 and higher education. Many school systems — and especially those in poor communities, communities of color and rural communities — have been faced with serious cut-backs for more than a decade, punctuated, only occasionally and inadequately, with compensating increases.

Indeed, since the 2007-08 Great Recession, states have been devoting even less money to public education. Is this because of the peculiarities of the current model of education, which essentially leaves matters of funding education largely to the states, or because of the domination of neoliberalism at the federal and state levels?

It is true that public education funding in the U.S. comes primarily from the states and local governments. For example, according to the Center on Budget and Policy Priorities, in 2016, 47 percent of K-12 funding came from the states, 45 percent from local governments, and only 8 percent from the federal government.

This dependence on states and local governments does contribute to inequalities in school funding among states. But, to get to your question about neoliberalism, the neoliberal turn of state governments, led primarily by Republicans, has had a devastating effect on school funding, especially for poorer communities and communities of color. As Gordon Lafer shows in his brilliant book The One Percent Solution, state and local networks funded by the Koch brothers and others were able to elect state and local officials committed to a litany of neoliberal attacks on unions, public and social goods, and the state, all in the interests of corporations. The result in many states was a cut in taxes and education funding, and a push to privatize education through charter schools and similar tricks. There was also an attack on teachers’ unions and public-school teachers’ pay.

These anti-public school measures were greatly exacerbated by the fallout from the Great Financial Crisis of 2007-2009 (GFC), which itself was largely due to neoliberal policies of financial deregulation (which exacerbated long-growing deeper problems in the economy that we have no time to discuss here).

Most states cut school funding severely when the GFC hit; and despite the long (but slow) economic expansion that occurred after the GFC and ended with the pandemic, state funding per student remains below pre-crisis levels. This is especially true of states that cut deeply during the crisis. At the local level, the collapse of the housing market led to a decline in property values in many communities. Since the primary source of local funds for public schools are property taxes, this led to lower local revenues for education. The federal government did increase funding for the states temporarily, but it was not enough and it did not last.
Just prior to the pandemic, some states had finally recovered much of the lost ground in educational expenditures, but many teacher salaries, which had been deeply cut over the neoliberal period, remained below their previous levels and were falling behind wage growth in other professions. In response, there have been a number of teachers’ strikes across the country, where teachers have demanded not only an increase in their pay, but also an increase in funding for their schools. Many of these have been successful.

Similar forces played out with respect to funding of public higher education. State funding of public higher education declined significantly over the last 20 years or more, and students and their families were more and more saddled with the bills. The huge rise in student debt, more than $1.6 trillion worth, is wreaking havoc on a generation of students that has now been confronted with two near-depression level meltdowns in the course of little more than a decade.
The important point is that all these problems were there prior to the onset of the pandemic. Now they have been greatly exacerbated.

Read more

Bookmark and Share

The Initiative For Fair Open Access Publishing In South Asian Studies ~ The 2020 Manifesto

The 2020 Manifesto for Fair Open Access Publishing in South Asian Studies

Profiteering and restricted access have led to a crisis in academic publishing. The Fair Open Access movement is best promoted by mobilizing individual disciplines. With this manifesto, we, an open group of scholars of classical and modern South Asian Studies, declare our support for Fair Open Access publishing.

§1  As is well known, the impact of publications is very often contingent on factors independent of the quality of the research or the competence of the authors. This includes that the research is published in a renowned journal (or other publication medium), by a renowned editor, or – and this has become a major problem – by a prestigious publishing house.

§2  Most of the prestigious publication media are nowadays controlled by a small number of profiteering international publishers. These companies often sell their products at unjustifiably high prices. Much of the editorial work, on the other hand, is outsourced to researchers (or their co-workers, assistants, employees, secretaries etc.). Because they depend on the prestige capitalized on by the publishers, they generally do this without payment. This situation has led to a real crisis in academic publishing.

§3  The Open Access (OA) movement is a reaction to this development: the advance of digitization has made it easy to make the results of research freely available on the internet. OA publishing offers free access to research, regardless of an individual’s financial means or affiliation with a subscribing institution. In the OA model, the individual reader does not pay (except, of course, in the case of printed works). Instead, the publication costs are borne by universities, libraries, scholarly societies, professional associations or other scholarly institutions. While in the wake of this development a number of institutions have founded in-house publishing projects, some commercial publishers have started to offer OA as well.

§4  In order to compensate for the revenue losses resulting from the free availability of OA publications, however, some profiteering publishers have begun to calculate special fees – imposed on the authors or their institutions. Most often, these fees are unjustifiably high and overcompensate for the production costs. As a growing number of academic institutions nowadays demand that the publications of their employees be OA, they are willing to pay these fees. They even regularly schedule a special budget to finance the publishers.

§5  Ultimately, however, it is the tax payers who have to pay, often several times: funding for research and researchers, library budgets for subscription fees, acquisition of overpriced books, processing costs charged by the publishers for OA publications etc. The only reason this system functions is that researchers and their institutions are dependent on the prestige that profiteering publishers have capitalized on for commercial benefit.

Go to (incl. List of Publishers & Journals): https://foasas.org

Bookmark and Share

De Berchrede fan it Flakke Lân

Fryslân DOK
De Berchrede fan it Flakke Lân.

Tinkers formulearje in perspektyf foar de maatskippij nei de Coronacrisis. Hokker ynsjoggen kinne wy meinimme nei de takomst?

Sjoch bygelyks: De Berchrede fan Theunis Piersma:
https://www.demoanne.nl/de-berchrede-fan-theunis-piersma/

“Sa lang’t ik biolooch bin, al wer 40 jier, libje ik mei it besef dat ús wrâld ekologysk nei de barrebysjes giet. Ik wie my tige bewust dat, lang om let, ek de minsken út rike lannen dat fiele soene. Ik frege my ôf, wat sil ik der sels noch fan meimeitsje? Ik haw my de ôfrûne 20 jier geregeldwei yn ’t fel knypt en my fernuvere dat it eins sa goed giet, dat wy allegearre sa blier en blynwei trochlibje. Fansels, de ‘wanden’ hongen grôtfol mei ‘tekens’, mar wat gie it de measten fan ús dochs goed, wat koene wy lekker en goedkeap de wrâld oer reizgje om sa, nei in ritsje Schiphol en in dei of wat ‘langparkeren’, geregeldwei te ûntsnappen nei plakken mei mear romte en mear lânskip as thús.

No is it dan safier. In krisis as dy fan corona is al withoefaak troch firologen oankundige, mar ynienen komt er ús oer it mad en ynienen liket dat ‘it nei de bliksem gean’ him yn fleanende faasje ûntjout. Soks giet dus net stadich, soks rôlet oer jin hinne! Soks is as de see dy’t nei in dyktrochbraak it doarp ynienen yn it klotsende wetter set.

Ik sit thús, en folgje mei ynhâlden siken it nijs. Ik strún it ynternet ôf op syk nei ferstannich praat. It reint moaie, djippe bespegelingen. Want yn in krisis is neitinke en nij tinken nedich, en it moaie is dat sok frij tinken dan ynienen mei! Miskien wol oanmoedige wurdt. Kin ik dan einliks sizze wat ik op myn hert haw? En soe der no wol lústere wurde?”

Of De berchrede fan Oeds Westerhof:
https://www.demoanne.nl/de-berchrede-fan-oeds-westerhof/

“De flinter is in flearmûs wurden. As in orkaan fljocht it coronafirus oer de wrâld. Wa’t sûn is wurdt siik, wa’t swak is ferstjert. Dat jildt foar minsken en likegoed ek foar bedriuwen. It binne ûnwisse tiden foar elk, behalve dan foar ûnheilsprofeten, wûnderdokters, predikers fan het eind der tijden, synisy, utopisten en oare selskroane keningen fan de wissichheid.

Ik wit net wat dizze coronakrisis foar ús betsjutte sil. Ik ha in krisis fan dizze omfang nea meimakke. Myn gefoel komt it tichtst by de tiid fan Tsjernobyl en de útbraak fan aids. Dat wiene ek fan dy ûnsichtbere meunsters. De ynternasjonale spanning liket wat mear op dy fan 9-11, wylst de ekonomyske panyk wat mear oan de bankekrisis tinken docht. Eins komme al dy dingen gear yn de coronakrisis. Hoe’t it komt, dat witte we net, mar we binne yn gefaar.”

Bookmark and Share

Walking Stories

Cover 'Walking Stories'Lisa, a fragile Indonesian woman, walked along the paths of Saint Anthony’s park. Saint Anthony is a mental hospital. Lisa was dressed in red, yellow and blue; I was looking at a painting of Mondriaan, of which the colours could cheer someone up on a grey Dutch day. She had put on all her clothes and she carried the rest of her belongings in a grey garbagebag. She looked like she was being hunted, mumbling formulas to avert the evil or the devils. I could not understand her words, but she repeated them with the rustling of her garbage bag on the pebbles of the path.

When she arrived at an intersection of two paths where low rose hips were blossoming, she stopped and went into the bushes. She lifted all her skirts and urinated; standing as a colourful flower amidst the green of the bushes and staring into the sky. A passer-by from the village where Saint Anthony’s has its headquarters would probably have pretended not to see her, knowing that Lisa was one of the ‘chronic mental patients’ of the wards. Or, urinating so openly in the park may be experienced as a ‘situational improperty’, but as many villagers told me: ‘They do odd things, but they cannot help it.’ The passer-by would not have known that Lisa was a ‘walking story’, that she had ritualised her walks in order to control the powers that lie beyond her control. Lisa was diagnosed with ‘schizophrenia’ and she suffered from delusions. When she had an acute psychosis, she needed medication to relieve her anxiety. Her personal story was considered as a symptom of her illness. That was, in a nutshell, the story of the psychiatrists of the mental hospital. Her own story was different. Lisa was the queen of the Indies and she had to have offspring to ensure that her dynasty would be preserved. She believed at that day that she was pregnant and that the magicians would come and would take away her unborn baby with a needle. To prevent the abortion, she had to take refuge in the park and carry all her belongings with her.

Read more

Bookmark and Share

Analysis Of Logical Fallacies In Debates Regarding Gender Issues In The 16th Lok Sabha

Abstract
The 543 members of the Lok Sabha are supposed to replicate the voice of 133 crore Indians. The unparalleled importance of the Lok Sabha makes it important for us to scrutinize the nature and form of arguments presented in it. This paper uses the concept of logical fallacies to do the same. It picks up the debates on four different bills, spread across five days of Lok Sabha sittings. The debates on the chosen bills – the Maternity benefit (Amendment) Bill 2016, the Criminal Law (Amendment) Bill 2018, the Trafficking of Persons (Prevention, Protection and Rehabilitation) Bill 2018 and the Rights of Transgender Persons Bill 2014, mark out the most important Lok Sabha discussions on gender and gender related issues in the first five years of Sri Narendra Modi’s Prime Ministership. The paper points out the logical fallacies committed in them, tries to understand why they were committed and explores what those fallacious arguments indicate with regard to the beliefs and ideologies of the parliamentarians. It shows how the chains of logic in the representatives’ arguments break down as a result of their preconceived notions and biases, lack of information and most importantly- deep seated patriarchy.

Key Words: logical fallacy, gender, parliament, debate, women, transgenders, society

Introduction
During discussions on bills, members speak for a bill, against a bill, or a take a position which is somewhere in between the two. Whichever the case, the members attempt to justify their positions using arguments. These arguments mostly contain valid reasonings or follow a proper logical chain where the premises lead to the conclusions. Sometimes however, the arguments are invalid- the premises in them might not logically lead to the conclusions, they might involve improper assumptions, or they might try to divert the attention from the point of concern. When there are such problems in the reasoning in an argument, the argument is called logically fallacious. Work in the field of pointing of out logically fallacious arguments and classifying them started with Aristotle [i] , and the field has expanded and developed since. “A fallacious argument, as almost every account from Aristotle onwards tells you, is one that seems to be valid but is not so” (Hamblin 1970: 12). In these arguments, the premises don’t lead to the conclusions and there is a mistake in reasoning (Copi, et. al. 2014: 109-110). These arguments have been classified into types considering their individual natures and scopes [ii]. A most common type for example, often found in political arguments is the Ad Hominem fallacy . Here the argument is aimed against the people holding the differing opinion and not the opinion in itself, although “the character of an adversary is logically irrelevant to the truth or falsity of what that person asserts, or to the correctness of the reasoning employed” (Cohen and Nagel 1998: 107).

It is mostly manifested in the form of personal attacks, or as it is called in the political arena-‘mudslinging’. Parliamentarian Shri Tathagata Satpathy for example, in the debate on the Maternity Benefit (Amendment) Bill 2016, dated 9th March 2017 says, “We have been kind of overburdened, bored and sick of this Government just throwing these economy-related Bills on the House and on all of us: the torture of making business easy for a few handful people, who will make money to be paid to political parties, and we are bearing the brunt of passing all those laws which will help a handful of Indians, not the large number of Indians” (130). Regardless of the truth or falsity of his claims, the kind of economic policies pursued by the government has no bearing on the merits/demerits of the bill at hand. The parliamentarian, by saying the above is trying to discredit the character of the supporters of the bill but provides no arguments for or against the bill in itself. Again, during the debate on the Criminal Law (Amendment) Bill 2018 dated 30 July 2018, Professor Saugata Roy said, “I thought for one day, whether what they were saying is right, whether we are proving ourselves to be blood thirsty, thirsty by asking for death penalty for rapists. Then, my conscience told me, no. Those who rape children of 16 or 12 years, do not deserve any mercy. Let them die, if it is proved. That is why, I support this bill. This is not being blood thirsty. This is being just” (244). There might be good enough reasons for supporting capital punishment for serious crimes but here Prof. Roy relies solely on his feelings and what he thinks his ‘conscience’ told him. Such arguments appeal to the hearer’s emotions more than their reasoning, and commit the fallacy called ‘appeal to emotion’ (Wrisley 2018: 98-101). While emotions might be important parts of arguments, an argument solely resting on the waves of emotions and lacking any concrete base of logical reasoning is deemed to be fallacious.
Read more

Bookmark and Share

James Baldwin Debates William F. Buckley (1965)

 

The legendary debate that laid down US political lines on race, justice and history

In 1965 at the University of Cambridge, two of the foremost American intellectuals were challenged with the question: ‘Has the American Dream been achieved at the expense of the American Negro?’ From William F Buckley’s highly stylised posturing and pointing, to James Baldwin’s melodious rhetorical flourishes and memorable scowls, what’s become known as the ‘Baldwin-Buckley Debate’ now stands as one of the archetypal articulations of the dividing line between US progressives and conservatives on questions of race, justice and history. Baldwin, the famed African-American writer, whose reputation as a progressive social critic and visionary Civil Rights activist has only risen in the intervening decades, argues that the very foundation of US society is built on the dehumanisation of its African-American population. Meanwhile, Buckley, the leading US conservative intellectual of the period, argues that African Americans would be best served by exploiting their country’s many freedoms and opportunities, rather than pointing a collective finger at discriminatory structures and institutions. In both cases, their positions presage contemporary divisive debates in the US, though one wonders whether such an event could happen in today’s political environment.

While usually reduced to short clips, the full hour-long debate – presented here in its entirety – is a remarkable historical document in its own right. Conducted in front of a large, almost entirely white and predominantly male audience at the Cambridge Union, the encounter offers a sense of campus intellectual life in the mid-1960s through the atmosphere in the room, the things that made people laugh, and the particular references made by the debaters. After the always eloquent Baldwin evokes his personal experience to describe a perpetually disorienting and demeaning existence for African Americans, Buckley responds with facts and figures – as well as an ad hominem shot at Baldwin’s speaking voice – to argue that there’s an American Dream available to all those who would pursue it. In the end, Baldwin prevailed, earning an ardent standing ovation and a landslide victory in the Union’s vote on the motion raised.

From: https://aeon.co/the-legendary-debate-that-laid-down-us-political-lines-on-race-justice-and-history

Bookmark and Share

The Abuse Of The Right To Sexual And Reproductive Health In Nigeria: The Way Out

Photo: en.wikipedia.org

Somewhere in Osun State, Nifemi, a three-year old baby, has been put under the knife for her clitoris to be cut off. Somewhere in Zamfara, thirteen-year-old Aisha has been betrothed to a 65-year-old Alhaji. Somewhere in Lekki, ten-year-old Ayoola is being sexually abused by his uncle. Somewhere in Zamfara, new mother, Aisha, just drew her last breath after bleeding profusely due to the negligence of the medical practitioners that handled her childbirth. Each of these people are victims of the failed healthcare system which Nigerians are constantly being subjected to. For a long period of time, the issue of the abuse of the right to sexual and reproductive healthcare in Nigeria has been ignored like a slowly growing pimple. However, the previous pimple has now developed into an unavoidable boil ridden with pus and blood. Much to the chagrin of the powers that be, the ripple effects of the poor handling of sexual and reproductive health in Nigeria, can no longer be swept under the carpet.

The World Health Organisation defines reproductive health as: “A complete state of physical, mental and social wellbeing, and not merely the absence of disease or infirmity in all matters related the reproductive system, its functions and its processes” [1]. The right to sexual and reproductive health has slowly garnered recognition over the past five decades. From the World Population Conferences in Rome and Belgrade held at 1958 and 1965 respectively [2], to the Beijing Conference of 1995 [3]; reproductive and sexual health has constantly been reaffirmed as a sine qua non in the lives of both men and women. In Nigeria, several Acts, and policies alike, have been enacted in order to guarantee this right to every Nigerian. They include, amongst others: The HIV(Anti-Discrimination) Act, 2013; the Violence Against Persons Prohibition Act, 2015; and the National Strategic Framework for the Elimination of Obstetric Fistula in Nigeria (2019-2023) [4].
However, the Nigerian situation seemingly sings a different tune. In spite of the existing legal framework, there have been numerous cases bordering on the flagrant abuse of the right to reproductive and sexual health in Nigeria- ranging from child marriage to sexual violence.

Currently, Nigeria has the highest number of child brides in Africa [5]. Over 20% of global maternal deaths occur in Nigeria with a staggering 600,000 maternal deaths enumerated from 2005-2015 [6]. In the same vein, over 25 percent of Nigerian women have been circumcised, with Osun State hosting the highest prevalence rate of 77 percent [7]. Each of these violations have negative effects on victims, hence, the global attention which the right to reproductive and sexual health has attracted. For example, there has been no report on the health benefits triggered by Female Genital Mutilation; however, numerous studies and research works have reported the harmful effects of female genital mutilation which could range from immediate complications which include: shock, haemorrhage and genital tissue swelling; to long-term complications which include: pain during sexual intercourse, urinary tract infections and menstrual problems [8].
Read more

Bookmark and Share
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives