Kaveh Waddell ~ The Research Pirates Of The Dark Web

Photo: librarysciencelist.com

Photo: librarysciencelist.com

The Atlantic. After getting shut down late last year, a website that allows free access to paywalled academic papers has sprung back up in a shadowy corner of the Internet.

There’s a battle raging over whether academic research should be free, and it’s overflowing into the dark web.
Most modern scholarly work remains locked behind paywalls, and unless your computer is on the network of a university with an expensive subscription, you have to pay a fee, often around 30 dollars, to access each paper.
Many scholars say this system makes publishers rich—Elsevier, a company that controls access to more than 2,000 journals, has a market capitalization about equal to that of Delta Airlines—but does not benefit the academics that conducted the research, or the public at large. Others worry that free academic journals would have a hard time upholding the rigorous standards and peer reviews that the most prestigious paid journals are famous for.

Some years ago, a university student in Kazakhstan took it upon herself to set free the vast trove of paywalled academic research. That student, Alexandra Elbakyan, developed Sci-Hub, an online tool that allows users to easily download paywalled papers for free.

Read more: http://www.theatlantic.com/the-dark-web/

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Fountain Hughes ~ Voices From The Days Of Slavery

Fountain Hughes (age 101 at the time of this interview) recalls his younger years when he and his family lived as slaves as well as some good advice on how to spend money.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Breyten Breytenbach ~ Die Koei In Die Bos

bb

Foto: Litnet – http://www.litnet.co.za/

Opgedra aan Jan Rabie, Neville Alexander, Ingrid Jonker, Sheila Cussons en Piet Philander, om uiteenlopende redes, maar met ewe veel erkentlikheid

Dames en here (en ek weet nie eintlik wie om uit te sonder of spesiaal toe te spreek nie – is ons is dan nie almal gelyk hier nie?

’n Tydjie gelede skryf ’n goeie vriendin vir my, toe sy verneem dat ek hierdie ding moet doen vanaand: “Die mismoedigheid wat oor mens toesak oor die taalstorie by US (en die ander kampusse). Dit voel vir my of jy nou weer die lyk van Afrikaans gaan afdra van die berg (soos met die vertelling waarmee jy destyds jou toespraak by die Sestiger-somerskool begin het), maar hierdie keer sonder hoop op nuwe lewe. Hoe om so ’n toespraak te konstrueer moet ’n groot uitdaging wees. Skuldbelydenis? Teikenskiet? Met ’n haelgeweer lostrek? De donder in wees? Skel? Pleit? Weer die argumente vir moedertaalonderrig op die tafel sit? Met ’n nuwe perspektief kom? Is laasgenoemde enigsins moontlik? Ai, ek dink aan jou. En daar gaan baie ore wees wat na jou luister …”

Ek wil vir die liewe vriendin sê dit gaan ’n bietjie van alles moet wees, dat die bobbejaan weer die berg gaan probeer klim, dat baie ore moedswillig verkeerd hoor, ook alreeds omdat my gedagtes krom getrek het met die jare. (Ek voel sommer klaar jammer vir myself oor die onbegonne taak, maar gaan so wragtag nie huil en kla net om die Stellenbosse boys te vermaak nie!)

Daarby het ek ’n skimmelappeltjie te skil met Stellenbosch-universiteit as versinnebeelding van parogiale Afrikaanse eienskappe – hardvogtigheid en skynheiligheid. Dat dit, in my boek, by uitstek nog altyd die teelaarde was vir allerlei gewasse van gedienstigheid teenoor die heersers van die oomblik. En dan nogal dikwels, uit hoofde van ’n selfbelangrike geleerdheid waar daar in feite net omgesien word na eie aansien en status, arrogant ook met ’n moralistiese opgeblasendheid. So asof politieke korrektheid hier as wiel ontwerp is …

Lees verder: http://www.litnet.co.za/die-koei-in-die-bos/

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Ik heb het beest in de bek gekeken. In gesprek met Frank Siddiqui

frankomslagFrank is geen vriendjesmaker. Hebben we ooit zo lang en persoonlijk met elkaar zitten praten als nu, op een paar nazomeravonden in 2015? Zelden. We liepen twintig jaar rond in hetzelfde circuit, kruisten elkaars wegen vaak, werkten dezelfde kant op – maar we deelden, denk ik, ook eenzelfde koppige arbeidsethos, een reserve tegen al te veel versluierende gezelligheid, misschien ook een zeker ontzag dat je bij wederzijdse bewondering wel eens in de weg kan zitten. Veel lange avonden met opgewonden gesprekken, drank en steeds wilder anecdotes hebben we dus niet gedeeld.

Maar je kan ook achteraf vaststellen dat je eigenlijk al jaren vrienden bent. Niet omdat je zoveel tijd met elkaar hebt doorgebracht, maar omdat je met terugwerkende kracht weet dat het altijd belangrijk was te voelen, ook op de momenten dat je zelf even de weg kwijt was of de energie zoek raakte, dat de ander in de buurt was en door hetzelfde vuur gedreven werd. Dat blijkt wel, nu we de geschiedenissen van ons persoonlijk engagement naast elkaar leggen.

Frank was er eerder bij dan ik. ‘Mijn missie, eind jaren tachtig’, zegt hij, ‘was meteen: de beelden die er van moslims bestaan accepteer ik niet.’ Afkomstig uit de kraakscene zag hij in die tijd weer perspectief op werk. Hij koos voor de journalistiek. Zijn scriptie aan de School voor Journalistiek in Utrecht ging over het beeld van moslims in de media.

Dat beeld recht te zetten, uit te breiden en er andere beelden tegenover te zetten, het werd de constante in het journalistieke werk dat hij daarna jarenlang uitvoerde: als verslaggever bij Trouw, in de werkgroep Migranten en Media van de NVJ, als mede-oprichter van het magazine Fast Forward, ‘voor Nieuwe Nederlanders met ambitie’.

Terugkijkend is het een helder verhaal. De ‘zoon van een islamitische werkelijkheid’ kwam te werken bij dagblad Trouw, als verslaggever met een vrije rol. ‘Ik wilde het beeld van moslims gaan nuanceren. Op de krant stonden die helemaal in het out-group perspectief. Er was geen identificatie mee, ze stonden erbuiten. De groep werd een soort. Heel begrijpelijk, maar je moet er wel iets aan doen. En dus stelde ik de vraag: hoe leven deze mensen, wat doen ze in het dagelijks leven? Tegenover de grote problematieken – huisvesting, werkloosheid, integratie, criminaliteit – moet je gewone mensen zetten. Niet vanuit het achterstandsdenken dat toen heerste in de linkse hoek. Dat was een en al zieligheid. Zo neem je mensen niet serieus. Ik wilde vooral de tweede generatie uit die sfeer van achterlijkheid halen. Wij dachten toen ‘onze’ arbeiderskinderen de universiteit bereikten, dat de emancipatie voltooid was. Maar nu kwam deze hele generatie eraan!’

Ik was in die tijd boekhandelaar. De Verloren Tijd, inmiddels Stichting Perdu, was mijn domein. Ik las ingewikkelde boeken, leerde ingewikkelde schrijvers kennen en gunde mezelf alleen op zondagmiddag wat afleiding. Als keeper van het tweede elftal van Arsenal in Buitenveldert. En mijn elftal zat vol met die tweede generatie: Youssef, Ahmed, Yassine, Khalid en de anderen. Marokkaanse Amsterdammers in de twintig. Leuke, praatgrage jongens, tegen een stootje bestand. Zielig kon ik ze moeilijk vinden, als ze weer eens vier man voorbij pingelden of die spits onderuit kegelden voordat hij het mij moeilijk kon maken.
Ik maakte mee hoe de schalen met zoetigheid binnenkwamen na een avondwedstrijd tijdens de ramadan. En het grappige was: op die bijna ongeletterde voetbalclub waren zij de enigen die niet raar opkeken als ik zei dat ik een boekwinkeltje had.

Vrijdagmorgen om half zeven komen de eerste moskeegangers aangelopen. In de Amstel lichten smeltende ijsschotsen op in de ochtendschemering. De moskee is alleen te herkennen aan twee kleine arabische bogen, midden tussen de woonhuizen. Een zwak verlicht uithangbord boven de ingang vermeldt de naam van God. Al kabir el maschid staat er in het arabisch boven: ‘De grote moskee’. Het bord staat scheef, aangereden door een vrachtwagen. Geld om het recht te zetten is er niet. (Trouw, 31 januari 1997, Frank Siddiqui en Esme Choho)

Omdat er een controverse woedde rond de Al Kabir moskee ging Frank verslag doen. ‘De grootste Marokkaanse moskee van het land stond op 200 meter van onze redactie aan de Wibautstraat. Wisten ze niet. Er werd kwaad gereageerd op mijn reportages. Henk Muller, de islamoloog van de Volkskrant, prikte zijn vinger in mijn borst: Jij praat met de vijand! Mohammed Rabbae was bang dat de Amicales er weer voet aan de grond zouden krijgen. Het moskeebestuur was radeloos. Hoe moesten ze dat beeld rechtzetten? Gewoon, dacht ik: be there, kijk maar. Ik zat bij de ramadan, bij de gebeden, tussen die honderden mannen. Het doordringende moment van het amen in zo’n dienst …’

Fatima Mernissi had een mooi boek geschreven over de hadiths: de apocriefe, niet opgeschreven uitspraken van de profeet. Ik ging praten met een groep vrouwen die de moskee bezochten over de invloed van die hadiths op hun leven. Als man. Journalistiek echt een hoogtepunt. Maar die klootzak van een Jaffe Vink zette er als kop boven: ‘Wij hebben gelukkig allemaal goede mannen.’ Het was allemaal heel emotioneel voor mij. Te emotioneel. En ik had me nog niet echt een sterke positie kunnen verwerven. Ik had goede credits, maar men twijfelde of ik echt dit onderwerp moest doen. Op een gegeven moment heb ik het losgelaten. Je loopt gewoon stuk.’

Plotseling, ergens midden in het gebed, beantwoorden de mannen de zang van de imam met aan langgerekt, geneuried amieeen. De toon wordt zo lang aangehouden, dat iedereen er haarzuiver op af kan stemmen. Een amen dat diepe snaren beroert.

Intussen werkte ik in De Balie aan het Leidseplein. Op een dag kreeg ik een telefoontje van het stadhuis. Salman Rushdie kwam op bezoek, of ik dat wilde helpen organiseren. De fatwa gold nog, de beveiliging was immens. In de gepantserde bunker onder de Stopera vroegen we aan Rushdie wat wij in Nederland konden doen om zijn zaak te helpen. Hij keek mij aan, met die lepe ogen, en zei: ‘Jij werkt toch in een debatcentrum? Organiseer het gesprek met de moslims in Nederland.’ En dus gingen we dat doen. Onhandig, op de tast, maar toch.

Adriaan van Dis, Ed van Thijn, Sajida Abdus-Sattar, imam Van Bommel, Haci Karacaer, een jonge Ahmed Aboutaleb, een nog jongere Fatima Elatik (die ook al opdook in Franks reportage over de Al Kabir moskee) – ze zaten er allemaal.
Frank was minder gehoorzaam. Minder gevoelig voor reputaties ook. ‘De Rushdie-affaire zorgde voor een aardschok in de media. Een psychologisch spel met ongelooflijk veel impact. Iedereen koos de kant van Rushdie. Kranten zijn echt gemeenschappen, intern ontloopt niemand de communis opinio. Er zijn leidende meningen, controversiële meningen en meningen die niet getolereerd worden. In dit geval was dat de tussenpositie, en die koos ik. Collega’s die vroegen of ik me al solidair had verklaard stelde ik een wedervraag: ‘Ik heb het boek nog niet gelezen, jij wel?’

Toen ik het eenmaal uit had groeide mijn ambivalentie: het is een prachtig boek, maar het is godslasterlijk. Je moet proberen te beseffen wat zoiets betekent als je dat in die cultuur parachuteert. In die context probeerde ik het te zien. Ik schreef een komisch stuk over een film die ik in Pakistan had gezien: slapstick op een eiland, waar de piraten jacht maakten op Rushdie. De bioscoop puilde uit, de mensen kwamen juichend naar buiten. Het was een feest. Mijn stuk viel helemaal niet goed op de redactie. Er woedde een cultuurstrijd.

De strijd tussen de goede en de slechte wereld. De Muur was gevallen, de Sovjet-Unie bestond niet meer. Zouden er nieuwe connecties ontstaan, of gingen we op zoek naar een nieuwe vijand? De islam, zei men, vormde een tegenbeeld van onze zuivere cultuur. ‘Die mensen hebben de Verlichting niet meegemaakt,’ klonk het, ‘ze hebben geen wetenschap.’ In die mal werden alle argumenten gearrangeerd. En dat is nog steeds zo.’

In die jaren was Anil Ramdas de ster van De Balie. Welsprekender, vindingrijker, invloedrijker dan de rest. Geen moslim, weliswaar, maar wel een gekleurde man. Hadden we onze eigen Salman Rushdie gevonden? ‘Anil was zeker een icoon voor mij,’ zegt Frank. ‘Een watervlugge denker, iemand die ook wel ruimte maakte voor anderen met een moeilijke achternaam. Ik had maar af en toe direct met hem te maken. Hij was kieskeurig in het samenstellen van zijn entourage, gewone journalistjes hoorden daar niet bij. We hadden wel raakvlakken: onze families kwamen uit hetzelfde gebied in India. Hij kon heel aimabel zijn, maar ook heel arrogant en neerbuigend.’

Frank koos zijn eigen weg. Hij vertrok bij Trouw en richtte in 2000 samen met Moustapha Oukbih en Özkan Gölpinar het nieuwe tweewekelijkse magazine Fast Forward op. ‘Zelf een blaadje maken, full-color, met goede fotografen, dat vond ik te gek. Dat was mijn derde weg. De missie was: de tweede generatie migranten is een volstrekt capabele, begeerlijke groep om in je bedrijf te hebben. Wij zouden dat laten zien, bedrijven gingen ervoor betalen. Alles vanuit de wens om te ontsnappen aan de benauwdheid van dat integratiedebat. Wij lieten mensen met high potential zien, die een plek verdienden in de echelons van het bedrijfsleven, waar die hele discussie niet bestond.’

Fast Forward was een hoopvol, overtuigend blad. Ik schreef een column en voelde me vereerd tussen zoveel nieuwe, getalenteerde gezichten te staan. Maar het liep niet goed af. Instortende reclamemarkt, onderlinge frictie, wat het ook was: Frank bleef met de inboedel zitten. ‘Dat kostte me een burn-out van twee jaar. Ik moest achteraf zeven ton subsidie verantwoorden. De allochtone Opzij: we waren er bijna, maar net op het moment van de grote sprong ging het mis. Dat heeft me geknakt.’

Ikzelf was toen al vertrokken bij De Balie, om te gaan reizen en schrijven. Meestal heb ik het er maar niet over dat ik ook geen zin meer had in de weerstand tegen nog meer kleur en diversiteit in de organisatie. Na 11 september en de moorden op Fortuyn en Van Gogh begonnen veel schrijvers en journalisten van mijn generatie het moeilijk te vinden de juiste toon en de juiste argumenten te vinden in een steeds feller, populistisch klimaat. De zelfgekozen dood van Anil Ramdas voelde haast als een symbolisch moment. Een moment om te kiezen: jezelf opnieuw uitvinden in het publieke debat of juist een heel andere richting opzoeken.

Hierover te praten met Frank, op een nazomeravond in 2015, betekent: eerlijkheid, opflakkerende woede, twijfel over het Nederland van nu, maar ook: op de teleurstellingen verworven mildheid, de mildheid van de open blik en de zekerheid dat die niet is aangetast, door niets en niemand.
‘De wereld van de media is killing. De moraal in dat vak is rampzalig. Als journalisten eenmaal bloed ruiken, gaan ze er allemaal op af. Kijk naar alle zogeheten moslim-woordvoerders die in de loop der jaren naar voren zijn getreden. Allemaal zijn ze in hun carrière geknakt. De gevangenis-imams, de
specialisten in de ziekenhuizen. Er dook iets uit hun verleden op, de werkgever werd gebeld, weg waren ze. Ik kan het niet anders zien dan als verholen racisme.’

‘Ik was moeilijk misschien, te solistisch, te eigenwijs. Maar ik heb het beest in de bek gekeken. En ik heb er geen spijt van. Niet dat ik in de media heb gewerkt, niet dat ik eruit ben gestapt. Het roer kan een aantal malen om, in het leven. Nu heb ik de liefde met Lonnie, ik heb Harcigny, de creativiteit daar, de vrienden om me heen. Door het boeddhisme heb ik een positieve kijk op leven én sterven. Je bent niet onveranderlijk, gelukkig, dat heb ik geleerd.’


Binnenkort verschijnt: Wat lukt is wat je wilt. Gesprekken met Frank Siddiqui. Eindred. Bart Top.
Rozenberg Publishers 2016 – ISBN 978 90 5170 770 0

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Native American Activism: 1960s To Today

banner_native_american_activismThe month of November is often the only time students learn about Native Americans, and usually in the past tense or as helpless “wards of the state.” To counter this, we offer this collection of recent Native movements and activists who have continued to struggle for sovereignty, dignity, and justice for their communities. The financial and colonial drive that usurps Native peoples ways of life is not just relegated to the past; it continues today. Here are just a few stories of struggle and achievement since the late 1960s.

For Native American Heritage Month (and beyond), view lessons and resources at the Zinn Education Project.

Read more: http://zinnedproject.org/native-american-activism-1960s-to-today/

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

I Am 20 ~ Films Division, Govt. of India

Young men and women born on Independence Day in 1947 were selected from different parts of India and interviewed to discover their hopes, desires, ambitions and fears. They spoke about love, they spoke about their heroes and they spoke about their frustrations. The result is this unique film shot in 1967.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

The Ndebele Nation

wilrotours.co.za

Ndebele home

With an Introduction by Milton Keynes
The Ndebele of Zimbabwe, who today constitute about twenty percent of the population of the country, have a very rich and heroic history. It is partly this rich history that constitutes a resource that reinforces their memories and sense of a particularistic identity and distinctive nation within a predominantly Shona speaking country. It is also partly later developments ranging from the colonial violence of 1893-4 and 1896-7 (Imfazo 1 and Imfazo 2); Ndebele evictions from their land under the direction of the Rhodesian colonial settler state; recurring droughts in Matabeleland; ethnic forms taken by Zimbabwean nationalism; urban events happening around the city of Bulawayo; the state-orchestrated and ethnicised violence of the 1980s targeting the Ndebele community, which became known as Gukurahundi; and other factors like perceptions and realities of frustrated economic development in Matabeleland together with ever-present threats of repetition of Gukurahundi-style violence—that have contributed to the shaping and re-shaping of Ndebele identity within Zimbabwe.

The Ndebele history is traced from the Ndwandwe of Zwide and the Zulu of Shaka. The story of how the Ndebele ended up in Zimbabwe is explained in terms of the impact of the Mfecane—a nineteenth century revolution marked by the collapse of the earlier political formations of Mthethwa, Ndwandwe, and Ngwane kingdoms replaced by new ones of the Zulu under Shaka, the Sotho under Moshweshwe, and others built out of Mfecane refugees and asylum seekers. The revolution was also characterized by violence and migration that saw some Nguni and Sotho communities burst asunder and fragmenting into fleeing groups such as the Ndebele under Mzilikazi Khumalo, the Kololo under Sebetwane, the Shangaans under Soshangane, the Ngoni under Zwangendaba, and the Swazi under Queen Nyamazana. Out of these migrations emerged new political formations like the Ndebele state, that eventually inscribed itself by a combination of coercion and persuasion in the southwestern part of the Zimbabwean plateau in 1839-1840. The migration and eventual settlement of the Ndebele in Zimbabwe is also part of the historical drama that became intertwined with another dramatic event of the migration of the Boers from Cape Colony into the interior in what is generally referred to as the Great Trek, that began in 1835. It was military clashes with the Boers that forced Mzilikazi and his followers to migrate across the Limpopo River into Zimbabwe.

As a result of the Ndebele community’s dramatic history of nation construction, their association with such groups as the Zulu of South Africa renowned for their military prowess, their heroic migration across the Limpopo, their foundation of a nation out of Nguni, Sotho, Tswana, Kalanga, Rozvi and ‘Shona’ groups, and their practice of raiding that they attracted enormous interest from early white travellers, missionaries and early anthropologists. This interest in the life and history of the Ndebele produced different representations, ranging from the Ndebele as an indomitable ‘martial tribe’ ranking alongside the Zulu, Maasai and Kikuyu, who also attracted the attention of early white literary observers, as ‘warriors’ and militaristic groups. This resulted in a combination of exoticisation and demonization that culminated in the Ndebele earning many labels such as ‘bloodthirsty destroyers’ and ‘noble savages’ within Western colonial images of Africa.

Ndebele History
With the passage of time, the Ndebele themselves played up to some of the earlier characterizations as they sought to build a particular identity within an environment in which they were surrounded by numerically superior ‘Shona’ communities. The warrior identity suited Ndebele hegemonic ideologies. Their Shona neighbours also contributed to the image of the Ndebele as the militaristic and aggressive ‘other’. Within this discourse, the Shona portrayed themselves as victims of Ndebele raiders who constantly went away with their livestock and women—disrupting their otherwise orderly and peaceful lives. A mythology thus permeates the whole spectrum of Ndebele history, fed by distortions and exaggerations of Ndebele military prowess, the nature of Ndebele governance institutions, and the general way of life.

My interest is primarily in unpacking and exploding the mythology within Ndebele historiography while at the same time making new sense of Ndebele hegemonic ideologies. My intention is to inform the broader debate on pre-colonial African systems of governance, the conduct of politics, social control, and conceptions of human security. Therefore, the book  The Ndebele Nation (see: below) delves deeper into questions of how Ndebele power was constructed, how it was institutionalized and broadcast across people of different ethnic and linguistic backgrounds. These issues are examined across the pre-colonial times up to the mid-twentieth century, a time when power resided with the early Rhodesian colonial state. I touch lightly on the question of whether the violent transition from an Ndebele hegemony to a Rhodesia settler colonial hegemony was in reality a transition from one flawed and coercive regime to another. Broadly speaking this book is an intellectual enterprise in understanding political and social dynamics that made pre-colonial Ndebele states tick; in particular, how power and authority were broadcast and exercised, including the nature of state-society relations.

What emerges from the book is that while the pre-colonial Ndebele state began as an imposition on society of Khumalo and Zansi hegemony, the state simultaneously pursued peaceful and ideological ways of winning the consent of the governed. This became the impetus for the constant and ongoing drive for ‘democratization,’ so as contain and displace the destructive centripetal forces of rebellion and subversion. Within the Ndebele state, power was constructed around a small Khumalo clan ruling in alliance with some dominant Nguni (Zansi) houses over a heterogeneous nation on the Zimbabwean plateau. The key question is how this small Khumalo group in alliance with the Zansi managed to extend their power across a majority of people of non-Nguni stock. Earlier historians over-emphasized military coercion as though violence was ever enough as a pillar of nation-building. In this book I delve deeper into a historical interrogation of key dynamics of state formation and nation-building, hegemony construction and inscription, the style of governance, the creation of human rights spaces and openings, and human security provision, in search of those attributes that made the Ndebele state tick and made it survive until it was destroyed by the violent forces of Rhodesian settler colonialism.

The book takes a broad revisionist approach involving systematic revisiting of earlier scholarly works on the Ndebele experiences in the nineteenth and twentieth centuries and critiquing them. A critical eye is cast on interpretation and making sense of key Ndebele political and social concepts and ideas that do not clearly emerge in existing literature. Throughout the book, the Ndebele historical experiences are consistently discussed in relation to a broad range of historiography and critical social theories of hegemony and human rights, and post-colonial discourses are used as tools of analysis.

Empirically and thematically, the book focuses on the complex historical processes involving the destruction of the autonomy of the decentralized Khumalo clans, their dispersal from their coastal homes in Nguniland, and the construction of Khumalo hegemony that happened in tandem with the formation of the Ndebele state in the midst of the Mfecane revolution. It further delves deeper into the examination of the expansion and maturing of the Ndebele State into a heterogeneous settled nation north of the Limpopo River. The colonial encounter with the Ndebele state dating back to the 1860s culminating in the imperialist violence of the 1890s and the subsequent colonization of the Ndebele in 1897 is also subjected to consistent analysis in this book.

What is evident is that the broad spectrum of Ndebele history was shot through with complex ambiguities and contradictions that have so far not been subjected to serious scholarly analysis. These ambiguities include tendencies and practices of domination versus resistance as the Ndebele rebelled against both pre-colonial African despots like Zwide and Shaka as well as against Rhodesian settler colonial conquest. The Ndebele fought to achieve domination, material security, political autonomy, cultural and political independence, social justice, human dignity, and tolerant governance even within their state in the face of a hegemonic Ndebele ruling elite that sought to maintain its political dominance and material privileges through a delicate combination of patronage, accountability, exploitation, and limited coercion.

The overarching analytical perspective is centred on the problem of the relation between coercion and consent during different phases of Ndebele history up to their encounter with colonialism. Major shifts from clan to state, migration to settlement, and single ethnic group to multi-ethnic society are systematically analyzed with the intention of revealing the concealed contradictions, conflict, tension, and social cleavages that permitted conquest, desertions, raiding, assimilation, domination, and exploitation, as well as social security, communalism, and tolerance. These ideologies, practices and values combined and co-existed uneasily, periodically and tendentiously within the Ndebele society. They were articulated in varied and changing idioms, languages and cultural traditions, and underpinned by complex institutions. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter


  • Ads by Google
  • Archives