Barbara Maregele – Redhill’s Ruins: Cape Town’s Forgotten District Six

Municipal cottages in the area now known as Pinehaven, where the Lawrence family had lived before they were forced to move from the area. Photo courtesy of the Simon's Town Museum.

Municipal cottages in the area now known as Pinehaven, where the Lawrence family had lived before they were forced to move from the area. Photo courtesy of the Simon’s Town Museum.

groundup.org.za, July 2014. There’s silence as Margaret Constant and her brother George Lawrence walk through lush Fynbos to the stone ruins of Redhill Village, the place they once called home.

Nestled in the mountains overlooking Simon’s Town, Redhill was once home to more than 70 predominantly coloured families, before they were forcibly removed from the area in the late 1960s.
“I was about nine-years-old. My parents got a letter and we were told that we couldn’t stay here anymore. I couldn’t understand why. To us, this was our home. I was heartbroken,” says Constant.
They were among thousands of families forced to leave their homes and relocated to barren land on the Cape Flats under the Group Areas Act.
Families were issued with a notice and given about a week to vacate their homes.

At the time, Redhill residents were told they were being moved to make way for the construction of a new dam. But this never happened.
The first people to leave Redhill were relocated to Heathfield and Retreat, while the rest were all moved to Ocean View, then known as Slangkop.
They were joined by people who were relocated from the surrounding Noordhoek areas.
Nearly 44 years later, Constant, 53, and Lawrence, 57, took GroundUp through the ruins in Redhill.

Read more: http://www.groundup.org.za/redhills-ruins-cape-towns-forgotten-district-six

urb.im – Inclusive Planning And Housing

urb.im

urb.im

July 2014. Millions of poor people in cities of the Global South live in informal settlements with low-quality living conditions, due in large part to the lack of affordable and adequate housing. Policies are needed to regulate, support, and provide incentives for the development of affordable housing in both the private and the public sectors. In addition, such housing must be inclusive by design, so that the urban poor are integrated into local communities rather than being marginalized by income and class.

Follow this topic here during the month of July to see and discuss reports from the 23 cities in the URB.im network about efforts by governments, NGOs, and communities to make inclusive housing a reality — and please share your thoughts in the comments below.

The market at the bottom of the housing pyramid
Bangalore. Like many Indian cities, Bangalore is in dire need of new housing options to meet the needs of its working poor. With an increasing ability to pay and new financing approaches available, families residing in slums have the means to pay for better conditions, yet few alternatives exist. Ramesh Ramanathan launched an affordable housing initiative to fill this growing gap, but found many unexpected barriers along the way.

And much more at: http://urb.im/c1407

Will Wiles – The Concrete Tangle

whitechapelJuly 2014. The urge to tidy up cities is deadening – let’s celebrate the tangled chaos and honky-tonk energy that keep them alive

Whitechapel Underground Station in the East End of London is a long, wide trench, an unexpected burst of sunlight that comes just a couple of minutes after your train leaves the City. Being mostly subterranean, the Tube does not generally foster window-gazing, but here the raised, curious eye is magnificently rewarded. The train passes through a chasm of tens of millions of bricks, not one of which is truly intended to be seen: the canyon’s arched retaining walls, the plain huts and outbuildings used by the Underground’s operators, and the rears of the Victorian terraces on Whitechapel Road and surrounding streets.

This brickscape is just a backdrop. It is painted over by an impossible multitude of stains and seepages, deeply overgrown by pipes and cables. In places, an unplanned arrangement of steel I-beams suggests mismatched forces and structural quandaries. Overpasses bear streets above us. Creaking clapboard walkways carry our fellow passengers. More trains pass below – paradoxically, it’s the Overground beneath the Underground. While many other Tube stations have criss-crossing routes and rumbling suggestions of deeper lines, here we can actually see those other trains and platforms; the whole station, in fact, has an eerie sense of unintentional exposure, as if the surface city has been peeled back in layers like one of Gunther von Hagens’s plastinated corpses, urban viscera laid bare for inspection.

Read more: http://aeon.co/the-chaos-and-tangled-energy-of-living-cities/

Ilang-Ilang D. Quijano – Where Did P11-B DAP For Urban Poor Housing Go?

An urban poor community in an area the government considers “danger zone” in Metro Manila. Macky Macaspac/PW File Photo -

An urban poor community in an area the government considers “danger zone” in Metro Manila. Macky Macaspac/PW File Photo –

July 2014. Urban poor residents in Metro Manila and off-city relocation sites are questioning where the billions of pesos in Disbursement Acceleration Program (DAP) funds meant for their housing went—and it seems like they have every reason to.
Former residents of Sitio San Roque, North Triangle, Quezon City today staged a protest at the National Housing Authority (NHA) office in Rodriguez (Montalban), Rizal to demand where the the P450 Million supposedly allocated for them under the DAP went.
Among the list of DAP projects released by the Department of Budget and Management (DBM) last July 14 was a P450-M resettlement program for 10,000 North Triangle residents affected by the establishment of a business district in QC.
These funds, which supposedly went to the construction of medium-rise buildings (MRB) in Camarin, Caloocan City for the residents, were released to the NHA in 2011.
Jennie Espacio, a former leader in North Triangle and now a relocatee in Southville village, Brgy. San Isidro in Montalban, however, said that most of the residents were relocated by the government not to Caloocan, but to off-city relocation sites.

Read more: http://pinoyweekly.org/b-dap-for-urban-poor-housing-go/

Fatsoenlijk land ~ Proloog – Verzet in twee werelden

Fatsoenlijkland1De negentienjarige Bob van Amerongen aarzelde niet toen hij het in het voorjaar van 1943 het verzoek kreeg om voor een collega van zijn vader een onderduikadres te zoeken. Voor hem was het vanzelfsprekend mensen te helpen. Tante Louise had direct hulp nodig.
Zoals voor iedereen die zich bezighield met dergelijke activiteiten was het een riskante onderneming. Als kind uit een gemengd huwelijk waren de risico’s voor Bob nog groter. Als hij door de Duitsers gepakt zou worden, vreesde Bob, liep hij de kans er een extra joodse grootouder bij te krijgen en zo van ‘half-jood’ tot ‘voljood’ te promoveren. Met als zekerheid een enkele reis naar het vernietigingskamp.
Vanaf begin 1943 gaf Bob van Amerongen samen met Jan Hemelrijk leiding aan een groep ‘illegalici’, gespecialiseerd in hulp aan joodse onderduikers. Net als Bob kwam ook Jan Hemelrijk uit een gemengd huwelijk: allebei hadden ze een joodse vader en een niet-joodse moeder. Beide jongemannen leefden in feite in twee werelden.
Enerzijds gaven ze leiding aan een verzorgingsgroep. Anderzijds waren ze verwant aan hun onderduikers. Hun familieleden en vrienden waren immers de eersten die beroep op hen deden. Naarmate de oorlog vorderde, werd de groep steeds groter en ontwikkelde zij zich tot een netwerkorganisatie met verschillende afdelingen.
Jan Hemelrijk gaf de groep de naam PP-groep. Dat gebeurde bij de oprichting van de Vrije Groepen Amsterdam (VGA) in 1944 toen elke groep een naam moest kiezen. Je zou kunnen denken dat het een verwijzing is naar Potasch en Perlemoer, de twee kibbelende joodse zakenlieden uit de bekende gelijknamige vooroorlogse volkskomedie. Maar dat was niet het geval. Jan liet zich inspireren door de ‘porgel’ en de ‘porulan’, fantasiebeesten in het clandestien verschenen nonsensrijm De Blauwbilgorgel (1943) van Cees Buddingh’. Jan kortte de namen simpelweg af zoals zoveel verzetsgroepen deden.
Aan het eind van de oorlog bestond de PP-groep uit 19 kernleden, onder wie oud-leerlingen van het Murmellius Gymnasium (Alkmaar), de school van Bob en Jan, en het Vossius Gymnasium (Amsterdam). Ze redden waarschijnlijk enkele tientallen joden het leven.
Alleen Bob verzorgde al zeventien onderduikers. Niet alleen familieleden en vrienden uit eigen kring, maar ook mensen van buitenaf. Onder hen waren mijn moeder Miep Gompes-Lobatto, mijn oom Jaap Lobatto en hun nichtje Betty de Vries.

De gesprekken die ik tien jaar geleden met Bob van Amerongen en Jan Hemelrijk had, maakten grote indruk op me. Ze spraken over de oorlog alsof deze gisteren had plaatsgevonden. De gebeurtenissen van toen hadden hen duidelijk nooit meer losgelaten.
Bob had er nog steeds last van dat hij bepaalde mensen niet op tijd had kunnen onderbrengen. Ook gaf hij aan hoe ongelooflijk moeilijk het was geweest voor joden onderduikadressen te vinden.
Jan zat het nog steeds dwars dat zijn vader gepakt was door verraad. Hij had nog wel zo’n uitstekend persoonsbewijs voor hem gemaakt. Ondanks de voortdurende stress tijdens de oorlog had Jan geen spijt van zijn verzetsactiviteiten. Hij had niet als zovele anderen langs de zijlijn willen blijven staan.
De PP-groep voor het voetlicht brengen, lijkt me van belang. Niet alleen om Bob van Amerongen en Jan Hemelrijk de aandacht te geven die ze verdienen, maar ook omdat in Nederland het verzorgingsverzet onderbelicht is gebleven. Publicaties hierover zijn schaars. In verzetsfilms gaat het vaak over het gewapende verzet, zoals in Soldaat van Oranje en Het meisje met het rode haar. Bij het verzorgingsverzet ging het vaak om minder opzienbarende, maar daarom niet onbelangrijkere handelingen. Read more

Fatsoenlijk land ~ Athene, Rome en Jeruzalem in Alkmaar

Fatsoenlijkland3De geschiedenis van de jodenvervolging wordt meestal vanuit Amsterdams perspectief geschreven. Amsterdam was immers voor de oorlog dé joodse stad bij uitstek. Bijna zestig procent van de Nederlandse joden woonde er. Niet alle joden in de mediene waren lid van een joods kerkgenootschap. Ook buiten de grote steden groeide de groep van geassimileerde joden. Dat gold ook voor Alkmaar dat voor de oorlog een kleine joodse gemeenschap kende. Het merendeel van de Alkmaarse joden maakte als winkelier of detailhandelaar deel uit van de middenklasse.
De joodse vaders van Bob van Amerongen en Jan Hemelrijk, die het geloof achter zich hadden gelaten, behoorden tot de Alkmaarse elite. Ze waren naar Alkmaar gekomen vanwege hun aanstelling op het plaatselijke Murmellius Gymnasium. Op de school zaten de zonen en dochters van rechters, hoge ambtenaren, doktoren en advocaten. Maar ook de kinderen van de Bergense kunstenaars en de oude adellijke families, onder wie de familie Van Foreest, die het tussen Alkmaar en Heiloo gelegen 18e eeuwse landgoed Nijenburg bewoonde.
Jules van Amerongen, docent Engels, werkte er sinds 1911. Hij leerde er rond 1918 zijn collega Nederlands en toekomstige echtgenote Henriëtte Dekkers kennen. Zij was net als hij in Amsterdam geboren en getogen.
In 1926 was de oorspronkelijk uit Winterswijk afkomstige classicus Jaap Hemelrijk aangesteld als rector van het Murmellius Gymnasium. In het interbellum drukte hij een belangrijk stempel op de school. Hij was de drijvende kracht achter het nieuwe schoolgebouw aan de Westerhout dat in het najaar van 1940 in gebruik werd genomen. Als actief SDAP’er was hij een bekend publiek figuur. Hemelrijk trad regelmatig op in de filmzaal De Harmonie met politieke lezingen voor de plaatselijke arbeidersbevolking.

Jules van Amerongen stond in de stad te boek als een geslaagde voordrachtskunstenaar. Vooral door zijn jaarlijkse optreden in De Harmonie. Tijdens de Kerstdagen vertolkte hij er steevast de Christmas Carol van Charles Dickens. De joodse achtergrond speelde in de levens van de opgroeiende Bob van Amerongen en Jan Hemelrijk nauwelijks een rol. Een intellectuele opvoeding met veel aandacht voor cultuur en politiek des te meer.

Bob van Amerongen – een leesgierig gazzertje
Bob van Amerongen groeide op aan de chique Wilheminalaan in Alkmaar in een groot en comfortabel huis. Hij werd geboren op 11 februari 1924 en was het tweede kind van Jules (Juda Barend) van Amerongen en Henriëtte Elisabeth Dekkers, die in 1920 waren getrouwd. Bij zijn geboorte liet vader zijn joodse familie in Amsterdam weten dat er ‘een gazzertje van een jongen’ was geboren. Al vrij snel veranderde de lelijke baby in een aanbiddelijke peuter. Het introverte jochie bleek dol op mooie kleren. Zijn favoriete kledingstuk was een blouse met stroken waarop voetballetjes geborduurd waren. Het dubbele lerarenbestaan bood de familie van Amerongen aanzien en comfort. Aan huishoudelijk personeel hadden ze geen gebrek: het Duitse dienstmeisje, de huishoudster, de naaister en de huishoudelijke hulp– een keur van vrouwen door wie de kleine Bob in de watten werd gelegd.
Bob bleek een goede leerling. Op de lagere school kon hij een klas overslaan. Lezen deed hij voor zijn plezier, vooral de boeken van Jules Vernes en die over Dik Trom.
Het lerarenbestaan van zijn ouders liet de familiaire sfeer niet ongemoeid Er woonden altijd leerlingen in huis. Onder meer de broers Raymond en Hugo Pos. Dat waren de Surinaamse neven van Hans (Hartog Simon) Pos, de man van Lien (Engelina Fanny), de zuster van Jules van Amerongen.Voor Bob en zijn oudere zuster Hans betekende die inwonende jongens extra vertier. Vooral Raymond Pos maakte grote indruk. Hij leerde hen een Surinaams aftelrijmpje met een nogal scabreuze tekst. Ook vierde hij met de kinderen Van Amerongen Apollofeesten, waarbij hij gehuld in lakens met hen een smakelijke maaltijd naar binnen werkte onder het aanroepen van Apollo.
Bobs vader profileerde zich naast zijn lerarenbestaan als voordrachtskunstenaar. Eigenlijk had hij professioneel acteur willen worden. Omdat hij mank was, nam hij genoegen met een carrière in het amateurcircuit. Hij trad overal in het land op en maakte furore met de Christmas Carol van Charles Dickens, de schrijver aan wie zijn promotieonderzoek gewijd was.[1] Read more


  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives