Ritmes van de stad ~ Stromen van mensen als lichaamsstelsels

Westgeest-1

1. Martin Roemers, Metropolis (Bombay), 2007- (foto uit serie)
2. Kimsooja, A Needle Woman (London), 1999-2001 (video-still uit serie video’s, elk 6 min. 33 sec., loop)
3. Can Altay, “We’re Papermen”, he said, 2003 (detail diashow uit multimedia installatie)
4. Chantal Akerman, D’Est: Au bord de la fiction, 1995 (video-still, 24 videofragmenten, totaal 107 min.)
5. Els Opsomer, 10th of November, 9.05, 2007 (film-still uit 16mm film, 14 min.)

Het woord ‘stad’ roept al snel de associatie op met dichtbevolkte plaatsen, waarin de stad zich onderscheidt van het dunbevolkte platteland. Velen zullen zich de stad in het algemeen voorstellen als een combinatie van gebouwen en mensen. Voor dit essay zijn echter enkele foto’s en video’s geselecteerd die op verschillende wijzen laten zien dat de indruk van een stad opgeroepen kan worden door te focussen op concentraties van mensen die zich verplaatsen, waarbij de stedelijke bebouwing wordt genegeerd (afb. 1 t/m 5). Wat kunnen deze beelden van stromen van mensen ons duidelijk maken over de stad?

De socioloog/filosoof Henri Lefebvre schreef vanaf het midden van de jaren tachtig diverse essays over het belang van ritmeanalyse (rythmanalyse) bij het bestuderen van het dagelijkse leven in steden. In de door Tim Edensor geredigeerde bundel Geographies of Rhythm (2010) wordt Lefebvres visie op de stad door voornamelijk sociaal geografen toegepast in case studies. In zowel Lefebvres publicaties als Edensors bundel wordt nadruk gelegd op de rol van het menselijk lichaam bij het creëren en ervaren van ritmes (Edensor: 4). De metafoor van aderen en bloedvaten voor de stad, die de socioloog Richard Sennett gebruikt in zijn boek Flesh and Stone (1994), voegt een interessant perspectief toe aan deze visies.[i]

Het fotograferen van mensen op straat om het stadsleven vast te leggen kent een lange traditie in het genre van straatfotografie. Deze foto’s tonen echter veelal momentopnames van mensen die geïntegreerd zijn in het straatbeeld. De fotoserie van Martin Roemers, maar ook het bewegend beeld van Kimsooja, Chantal Akerman, Els Opsomer en de multimedia installatie van Can Altay, focussen op stromen mensen in de metropolis en zetten aan tot reflectie op de betekenissen die hieraan gegeven kunnen worden. Lefebvres concept van ritmeanalyse blijkt als een interessant hulpmiddel bij die reflectie te kunnen fungeren.

Lefebvres visie op de confrontaties van ritmes
De fotoserie Metropolis (2007-) van de Nederlandse fotograaf Martin Roemers en de serie video’s A Needle Woman (1999-2001) van de Koreaanse kunstenaar Kimsooja tonen stromen mensen die zich door grote wereldsteden bewegen (afb. 1 en 2). In deze concentraties bewegen personen zich in verschillende tempo’s door elkaar. Kunnen we hier alleen uit afleiden dat voetgangers voortdurend van tempo veranderen, dat sommigen een hoger tempo hebben dan anderen, en dat degenen die stil staan op dat moment geen deel uitmaken van de ritmes van de stad? Henri Lefebvre geeft in zijn (postuum verschenen) bundel essays Élements de rythmanalyse: Introduction à la connaissance des rythmes (1992) een veel ruimere definitie van ‘ritme van het dagelijkse leven’ dan beweging door een ruimte. Hij integreert ook de rol van biologische, psychologische en sociale ritmes. Muziek wordt door hem als metafoor gebruikt voor de ritmes van het dagelijkse leven: ritme in de muziek roept vragen op over verandering en herhaling, identiteit en verschil, contrast en continuïteit.[ii]

Bovendien bestaan natuurlijke en mechanische ritmes zowel in de muziek als in het dagelijkse leven naast elkaar. De biologische klok van de mens ziet Lefebvre echter in het dagelijks leven in de stad steeds meer geconditioneerd worden door de sociale omgeving en ritmes van werk. Lefebvre pleit voor meer aandacht voor ritmeanalyse om het dagelijks leven te kunnen begrijpen (Lefebvre: 8-10). De term rythmanalyse nam hij over van Gaston Bachelard, maar de invulling die hij gaf aan dit concept werd beïnvloed door visies van Gilles Deleuze, Martin Heidegger en Jean Baudrillard. Lefebvre begint zijn Élements de rythmanalyse met de constatering dat ritmes vanuit twee verschillende richtingen bestudeerd kunnen worden. Men kan casussen bestuderen en vergelijken, wat dicht bij de praktijk blijft, en zo van het specifieke naar het algemene redeneren. De andere procedure begint met concepten en het definiëren van categorieën. Zo wordt vanuit het abstracte naar het concrete geredeneerd (5). Lefebvre kiest zelf voor de laatste methode, maar meent dat de twee benaderingen elkaar complementeren. In dit essay zal ik vanuit beide richtingen te werk gaan door aan de hand van Lefebvres concepten naar de kunstwerken te kijken en door op basis van analyses van de kunstwerken te constateren wat deze foto’s duidelijk kunnen maken over de stad.

De theoretische reflectie van Lefebvre op ritmeanalyse begint met de constatering dat ritme niet gedefinieerd mag worden als slechts een opeenvolging van mechanische bewegingen door een ruimte (5, 6). Ritme is een gedifferentieerde beweging. Bovendien zijn eigenlijk altijd meerdere ritmes tegelijk actief, wat hij polyrhythmia noemt. Dat begint al in ons eigen lichaam waarin de unieke ritmes van hart, ademhaling, spieren, oogleden, etcetera, naast elkaar bestaan. De mens neemt bovendien deel aan externe ritmes zoals van de natuur, geschiedenis en sociale praktijken (16). Men is zich echter meestal niet bewust van polyrhythmia zolang er een harmonieus geheel bestaat, dat eurhythmia genoemd kan worden. Pas wanneer er een ‘verstoring’ optreedt (arrhythmia), wordt de mens zich gewaar van de voorheen onopgemerkte ritmes (67). Zoals later in dit essay duidelijk zal worden, kan de aandacht in een kunstwerk naar ritmes worden getrokken door een ingreep erin te forceren (bijvoorbeeld Kimsooja’s A Needle Woman) of door op de verstoring te concentreren (bijvoorbeeld Opsomers 10th of November, 9.05). Daarnaast maakt Lefebvre onderscheid tussen cyclische en lineaire ritmes. De cyclische ritmes betreffen niet alleen de natuurlijke ritmes zoals van de dagen en de seizoenen, maar ook de sociale organisatie. De lineaire ritmes zijn te vinden in de dagelijkse routine waarvan toeval en confrontaties deel uitmaken (8, 30). Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

De zee, de zee in literaturen wereldwijd – Inhoudsopgave

Krukzeecover

Reindert Willem Kruk (1914-1989) – Zeegezicht

Wim Gerritsen – Zelfportret als pikbroek
Jef Jacobs – Varen op de Leverzee – De zee in de Middelhoogduitse Literatuur van de Herzog Ernst tot Oswald von Wolkenstein
Marco Goud – “Een man die leeft in wijdheid van horizonnen” –  Jan Prins als zeedichter
Sjef Houppermans  – Van kraaiennest tot kraaienmars – Twintig duizend mijlen onder zee met Jules Verne
Frans-Willem Korsten – Zee als het onmenselijke
Bart Veldhoen – Niet van deze wereld – Fantasies van Mediëvisten-Professoren
Jacqueline Bel – Op zee met Emants en van Schendel – van naturalisme en boeddhisme tot nieuwe zakelijkheid?
Piet Schrijvers – “Plotseling bruist de zee bij mij naar binnen” – De zee als symbool in de Moabiter Sonnetten van Albrecht Haushofer (1903-1945)
Remke Kruk – De zee als landschap – The Shipping News en andere Newfoundlandse excursies
Wim Tigges – Strandjutters, zeeschuimers en parelvissers in de Stille Zuidzee – R.L.Stevensons The Ebb-Tide en het laagtij van de westerse beschaving
Yasco Horsman – Geraas, gegons, gezoem en gefluister: het Oceanische bij Freud, Chopin en Ozon
Edwin Wieringa -De schipbreuk van Indonesië’s verloren zoon – een autobiografisch gedicht van de communistische ex-gevangene Hr. Bandaharo (1917-1993)
Arnoud Vrolijk – De Zoete en de Zilte Zee – De Zee, de Islam en Allah in de Werken van drie Middeleeuwse Arabische Auteurs
Anne Sytske Keijser – Chinese watermonsters – de zee als metafoor
Theo Krispijn – De zee in de literatuur van het oude Mesopotamië
Over de auteurs

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Zelfportret als pikbroek

Gerritsen1 ‘Dreaming oneself away to sea’ – de Engelse uitdrukking laat zich niet gemakkelijk in het Nederlands vertalen, maar een rakere typering van de afwijking waarmee ik sinds mijn vroege jeugd behept ben weet ik niet te bedenken. De symptomen: een onblusbare belangstelling voor alles wat kan varen, van pieremachochels tot windjammers, een levenslange honger naar verhalen over zeereizen, bij voorkeur onder zeil, en een niet te stillen verlangen naar de wijdte van de zee. Als het waar is dat een topkok in staat is zijn hele zieleleven in de bereiding van een maaltijd te verwerken, dan zou ik toch kunnen proberen uit deze drie ingrediënten – boten, boeken, de Zee – een hors d’oeuvre (of desnoods maar een amuse) samen te stellen, die als voorafje bij deze bundel studies over de Zee in de literatuur kan dienen.

‘Messing about in boats…..’
Toen de Tweede Wereldoorlog voorbij was, was ik tien jaar oud. Onze Canadese bevrijders dumpten bij hun vertrek uit Nederland grote hoeveelheden biscuits, verpakt in hoge blikken bussen. Op een dag zag ik hoe oudere jongens een vlot hadden gebouwd door een aantal van deze biscuitblikken met ijzerdraad en touw aan elkaar te snoeren. Zittend op het vlot met hun benen in de ronde openingen van de blikken roeiden zij met geïmproviseerde riemen. ‘Dat wil ik ook’, dacht ik. Maar het bleek heel lastig te zijn om aan blikken te komen. Met veel moeite wist ik er vier te bemachtigen. Geen nood: ik besloot niet een vierkant vlot, maar een slanke kano als model te kiezen. De vier blikken, aan weerszijden bijeengehouden door latten, werden in één rij achter elkaar bevestigd. Het gehamer dat daarvoor nodig was, stoorde de buren in hun zondagsrust. Maar ik zag mijn ranke schip al door het water glijden, met mijzelf erop als een ruiter te paard. Ten slotte kon de tewaterlating van de eerste van biscuitblikken gebouwde kano ter wereld plaatsvinden. Het vreemde vaartuig werd met veel moeite achterop de fiets vervoerd, dreigde onderweg herhaaldelijk in tweeën te breken, maar bereikte toch de Kromme Rijn om daar, zo verwachtte ik, triomfantelijk van stapel te lopen. Helaas kapseisde het ding ogenblikkelijk. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Varen op de leverzee – De zee in de Middelhoogduitse literatuur, van de Herzog Ernst tot Oswald von Wolkenstein

De ringvis belaagt het schip van Brandaan. Houtsnede uit druk van Anton Sorg, Augsburg 1476 (Draak, p.184)

Inleiding
In de middeleeuwse literatuur, ook in de Duitse, speelt de zee een niet direct opvallende, maar daarom niet minder belangrijke rol. Zoals echter in zoveel literatuur is zij vooral literaire topos, metafoor voor distantie en verbinding.
De reis over zee, vol van gevaar en risicorijk, bij voorkeur naar het Heilige Land of, verder, naar de oriënt, brengt naderbij waarnaar verlangend wordt uitgekeken, maar staat ook voor wat compleet onbereikbaar blijkt. Afstand van de geïdealiseerde beminde, zoals in de troubadourslyriek, van een begerenswaardige vrouw, bedoeld als echtgenote, zoals meer dan een keer in Tristan en Isolde of in de Duitse Spielmannsdichtung, afstand van waar men thuishoort, of afstand van de heilige plaatsen, in het bijzonder Jeruzalem, en dus ook van het eeuwige heil.
Zo is het niet verwonderlijk dat ‘het’ op zee gebeurt, zoals in het Tristan-verhaal, waar op zee de toverdrank gedronken wordt en niet alleen het lot van de beide geliefden, maar van een heel koninkrijk wordt bezegeld. Zo verzucht Walther von der Vogelweide rond 1225 in zijn beroemde Alterseligie (Owê, war sint verswunden, alliu miniu jâr) dat voor hem het leven rond zou zijn, als hij ‘die lieben reise über see’ zou kunnen maken. Bedoeld is waarschijnlijk de kruistocht van Frederik II van 1228. En zo is in de Spielmannsepen (König Rother, Herzog Ernst, Oswald, Salman und Morolf, Orendel.), een klein aantal werken uit de twaalfde eeuw die als voorlopers van de hoofse epiek worden gezien, de zee het domein dat telkens moet worden doorkruist en overwonnen om de begeerde koningsdochter, met of zonder vaderlijke toestemming, naar het beloofde land, dat is hier het Avondland, te halen.
In de Herzog Ernst, maar vooral ook in de Brandaan krijgen we zicht op de monsters die deze toch wel onheilspellende plaats bevolken en de zeevaarders bedreigen, maar ook op de, ‘soorten’ zee en de daarin geplaatste objecten zoals bijvoorbeeld de beruchte Magneetberg in de Leverzee. In de Alexandersage krijgt de zee zelfs gestalte als zelfstandig wezen, dat in de gebeurtenissen ingrijpt door de held na zijn avonturen op de zeebodem weer aan land te zetten, zoals nog het Duitse Annolied (1085) vertelt. In de beroemde Willehalm van Wolfram von Eschenbach (rond 1220) scheidt de zee de christenen van de dreiging van de islamitische ‘heidenen’, die nadat ze hun koningsdochter aan de christenen zijn kwijtgeraakt, over zee naar Frankrijk komen om haar weer terug te halen, maar ook over diezelfde zeeweg moeten afdruipen na een vernietigende nederlaag. De zee, het water, verschijnen in al die literaire omgevingen als element van distantie, verbinding en al dan niet succesvol doorstane beproeving.
In de loop van de middeleeuwen zien we diezelfde zee – bij alle metaforische stabiliteit van scheidsgrond en verbindingsweg – toch stilaan van functie en vorm veranderen. Er komen zaken bij, de voorstelling wordt meer gedifferentieerd en de schilderingen van concrete gebeurtenissen treden meer op de voorgrond. Wat eerst vooral symbool of metafoor is, wordt plaats van reële actie, beleving en avontuur. In de contekst van de ridderlijke en hoofse idealen der Middelhoogduitse Staufische literatuur krijgt de zee bovendien een plaats in de queeste[i]. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

“Een man die leeft in wijdheid van horizonnen” – Jan Prins als zeedichter

janprins dbnl.org

Jan Prins (1876-1948)
Ills.: dbnl.org

Het mag geen verbazing wekken dat er in de literatuur van een land als Nederland – waar de zee, rivieren en dijken zo alom aanwezig zijn – veel zeewater te vinden is. Er bestaan verschillende bloemlezingen van Nederlandse gedichten over de zee, zoals De muze op zee. Een bloemlezing van gedichten over de zee, samengesteld door Adriaan Morriën (1951) en Dat schitterende water. Nederlandse poëzie over de zee, samengesteld door Dirk Kroon (1996). Anthonie Donker wijdde in zijn Karaktertrekken der vaderlandsche letterkunde (1945) zelfs een heel hoofdstuk aan de rol van de zee in onze letterkunde. Een van de beroemdste Nederlandse gedichten over de zee is misschien wel het sonnet van de Tachtiger Willem Kloos met de openingsregels: “De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining, / de Zee waarin mijn Ziel zichzelf weerspiegeld ziet”. In Herman Gorters Mei en zijn bundel Verzen (1890) staan veel prachtige passages over de zee. Ook kan worden gedacht aan de vele gedichten over de zee van A. Roland Holst, onder meer uit zijn bundel Een winter aan zee. De uit Zeeland afkomstige dichter P.C. Boutens schreef veel gedichten over de zee, zoals zijn “Domburgsch uitzicht”. H. Marsman besloot zijn laatste bundel Tempel en kruis met het gedicht “De zee”: “Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee / of schrijve niet”. Daarnaast valt te denken aan werk van Ida Gerhardt, M. Vasalis en aan modernere dichters als Kees Ouwens en C.O. Jellema. Hagar Peeters publiceerde in 2003 een bundel met de titel Koffers zeelucht. De lijst is zonder moeite met tientallen namen uit te breiden. Maar niet iedereen is het erover eens dat de zee in de Nederlandse letterkunde zo’n prominente rol speelt.

Zo schreef de dichter en criticus J.W.F. Werumeus Buning in 1929 in een stuk over J. Slauerhoff – Nederlands zeedichter bij uitstek – het volgende:
De zee – het wordt des te merkwaardiger naarmate men er langer over nadenkt – de zee is in de Nederlandse literatuur sedert ettelijke jaren ongeveer zo onbekend als Amerika voor Columbus ze bevoer. Hoe zeevarend wij wezen mogen – wij hebben geen Masefield en geen Conrad, geen Melville en geen Corbière, en wanneer wij een bevaren dichter hebben, als Jan Prins, neemt de zee in zijn werk geen grote plaats in; en wanneer de zee in het werk van een ander dichter, als A. Roland Holst, een grote plaats inneemt, is zij meer eeuwig natuurverschijnsel en grens tussen vaste wereld en oneindigheid dan de zee waarop de mens met schepen vaart.[i]

Vier jaar eerder schreef Slauerhoff zelf in een artikel over de Franse poète maudit Tristan Corbière (1845-1875):
Is het niet vreemd, dat een niet erg naar de zee gekeerd land als Frankrijk een zeedichter van Corbières kracht voortbrengt? terwijl Nederland, dat op zee zijn grootste verwezenlijking en aspiraties vindt, er geen bezit, of het moest zijn Jan Prins, zeer ten deele, of misschien nog iemand?[ii]

Waarschijnlijk doelde Slauerhoff met “misschien nog iemand” op zichzelf. We zien zowel bij Werumeus Buning als bij Slauerhoff dat Jan Prins wordt genoemd, maar dat tegelijkertijd ook wordt gezegd dat hij geen belangrijk zeedichter is. Ik wil in mijn bijdrage uitvoeriger stilstaan bij deze “vergeten” dichter. Wie was Jan Prins? Welke rol speelt de zee in zijn poëzie? En in hoeverre verschilt hij van een dichter als Slauerhoff? Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Van kraaiennest tot kraaienmars – Twintig duizend mijlen onder zee met Jules Verne

plaatje houppermansMais il fut flottant, mon berceau,
Fait comme le nid de l’oiseau
Qui couve ses œufs sur la houle…
Mon lit d’amour fut un hamac;
Et, pour tantôt, j’espère un sac
Lesté d’un bon caillou qui coule.
Tristan Corbière, Les Amours jaunes

Vele lezertjes die zoals ik gretig de beroemde roman van Jules Verne openslaan verwachten tot op nooit vermoede diepten in de oceanen af te dalen. Als ze het geluk hebben een fraaie uitgave te bezitten – de oorspronkelijke die bij Hetzel in Parijs verscheen in zijn ‘Bibliothèque d’éducation’ of een remake daarvan – had de illustratie op de buitenkant van het boek al dezelfde suggestie meegegeven van peilloze diepte. Maar gelijk dat met allerlei elementen in dit verhaal het geval is, is er sprake van een dubbelzinnigheid. Het gaat er namelijk niet om dat er tot op een diepte van 20.000 mijlen wordt afgedaald, maar dat er een reis wordt gemaakt onder de zeespiegel over een afstand van 20.000 mijl. Het is niet zozeer dat lezertjes en lezers hierdoor gefrustreerd raken, maar het procédé werkt als een slimme verleidingstruc, een soort melodietje als dat van de rattenvanger van Hamelen. Door gedurig onvermoede mysterieuze afdalingen in het verschiet te houden, lokt Verne zijn gretige publiek de verten tegemoet. Een opvoedkundig hoogstandje waar de laat negentiende-eeuwer wel brood in ziet (uitgever Hetzel profiteert graag van de onderwijspolitiek van minister Jules Ferry). Maar wanneer de methode blijft werken en ook ons nog steeds over de streep trekken kan, moet er meer aan de hand zijn. Ik denk dat Verne naast en bij alle pedagogische overwegingen zich vooral door de stem van het verlangen heeft laten leiden. Zoals we het object van verlangen eigenlijk steeds willen blijven begeren en dus liefst onbereikbaar houden, zo doorklieven we in het kielzog van de Nautilus gretig de zeeën, op zoek naar steeds nieuwe horizonten.

Overigens werd Jules Verne vanwege de literaire kwaliteiten van zijn werk allang in het Pantheon der groten opgenomen en wordt hij naast Dumas en Zola tot de belangrijkste vertellers van de 19e eeuw gerekend, zowel met betrekking tot de thema’s en motieven in zijn verhalen met hun vaak mythische dimensie, als ook om zijn stilistische vaardigheid vooral op het vlak van de beschrijvingen. Op vaak duizelingwekkende wijze tekent hij de overvolle wereld van zijn tijd waarbij dan menigmaal wervelwinden en draaikolken nieuwe leegten veroorzaken. Ook hier dus ambiguïteit want als Verne lang vooral als een profeet van vooruitgang en technisch vernuft werd beschouwd, is de aandacht recentelijk steeds meer verschoven naar de duistere en dreigende dimensie in zijn werk waar doodsdrift en chaos alle maatschappelijke verworvenheden op losse schroeven zetten. De zee als plaats van handeling is dan bij uitstek een oord van dubbelzinnigheid waar levenskrachten en doodsverlangen elkaar omstrengelen. Toen in 2005 wereldwijd de honderdste sterfdag van Jules Verne gevierd werd is dit aspect ook breed uitgemeten zowel in wetenschappelijke benaderingen als in presentaties voor een groot publiek. Dit laatste bijvoorbeeld in het Jules Verne-museum in zijn geboortestad Nantes waar hij op 8 februari 1828 het levenslicht aanschouwde aan de oevers van de statige Loire die vanuit deze havenstad steeds breder uitwaaiert naar de Atlantische oceaan. De moeder van Verne stamde uit een vermaarde familie van reders en zelf was hij zeer gehecht aan de verschillende boten waar hij mee gevaren heeft. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives